terug  begin  verderprepost
[p. 344]

Aanteekeningen en opmerkingen.

een passie-gedicht van 1789. - In een bundeltje geschriftjes, meestal politieke met een titel aan den katholieken eeredienst ontleend (zooals Le dies irae ou les trois ordres au jugement dernier; Litanies du tiers-état, Credo du tiers-état, Le Pater du tiers-état; La passion, la mort et la résurrection du peuple etc.), afkomstig uit de jaren 1789 en 1790, vereenigd in een bandje waarop staat ‘Révolution française, pièces justificatives’, en onlangs aangekocht door de Koninklijke Bibliotheek in den Haag, - bevindt zich ook een gedicht in alexandrijnen dat een zuiver godsdienstig karakter draagt, en waarop een mede-redacteur, naar aanleiding van mijne bijdrage in het Juni-nummer van de Gids, Parijsche devotie, mijne aandacht vestigde.

Het is getiteld La Passion de Notre-Seigneur Jésus-Christ, mise en vers et en dialogues.

Blijkens de voorafgaande ‘Lettre dédicatoire’ is dit dramatisch, of althans gedialogiseerd, gedicht afkomstig van een jongen dichter, zoon eener vrome moeder, ‘mon unique appui, mon Ange tutélaire’, aan wier vroomheid hij door dit werk heeft willen behagen. Hij is bescheiden genoeg om zich zelf slechts een zeer middelmatig talent toe te kennen en verwacht, voor het succès van zijn werk bij de ‘personnes pieuses pour qui j'écris’, meer van de roerende bijzonderheden der lijdensgeschiedenis zelve dan van de wijze waarop hij ‘avec plus de précision que de force’ haar in verzen heeft verhaald.

Voor eene dramatische opvoering zijn de vier ‘dialogues’ waarin het gedicht verdeeld is, blijkbaar niet geschreven, en zij leenen zich hoogstens voor reciet. Hoofdpersoon is ‘Joseph d'Arithmatie’, die, in den eersten ‘dialogue’, den apostel Matheus ontmoet en van dezen verneemt, hoe Jezus door Judas is verraden en in dem

[p. 345]

hof van Gethsémané is gevangen genomen. In den tweeden ‘dialogue’ verschijnt Petrus en verhaalt, bitter schreiend, aan de beide anderen zijne lafhartige verloochening en al wat er verder in de rechtzaal is voorgevallen. In den derden ‘dialogue’ voegt Jacobus zich bij het gezelschap en vertelt de terechtstelling bij Pilatus, het verhoor bij Herodes, de veroordeeling van den Meester en den ‘publieken’ (sic) zelfmoord van Judas. In den laatsten ‘dialogue’, eindelijk, treedt de apostel Johannes op als berichtgever van het lijden en sterven op Golgotha, terwijl het gedicht besloten wordt met de mededeeling van Jozef van Arimathea, dat hij voor een eervolle begrafenis van den geliefden Meester zal gaan zorgen.

Van dichterlijk talent zijn in deze vier ‘dialogues’ niet veel sporen te vinden. De schrijver is een middelmatig beoefenaar van de holle rhetorica en de zwakke verskunst van het einde der achttiende eeuw. Zijn gemis aan talent komt bovenal uit in de rol van Jozef, die, daar hij enkel heeft te luisteren, de verhalen der apostelen nu en dan afbreekt door uitroepen als deze (na het bericht van Judas' verraad):

 
Quoi! mon frère, un tel coup de Judas est parti!
 
Et la terre à l'instant ne l'a pas englouti?
 
Il a trahi, vendu, livré son divin Maître,
 
Et la foudre n'a point anéanti ce traître?
 
Et l' Astre bienfaisant qui luit sur l'horizon,
 
A pu voir sans pâlir sa noire trahison?

Dat Petrus, hoe bitter hij schreien moge (‘Que vois-je! son visage est inondé de pleurs’, zegt Josef, als hij hem ziet aankomen), voor het verhaal zijner verloochening ook al geen dichterlijke uitdrukkingen weet te vinden, moge blijken uit deze vier regels:

 
Trois fois dans cette nuit au crime consacrée,
 
Sathan a triomphé de mon âme égarée;
 
Et j'eusse encor plus loin porté la fausseté,
 
Si dans le même instant le Coq n'avait chanté.

Johannes, die o.a. de kruiswoorden had aan te halen, maakt het niet veel beter. Het woord tot den ‘bon larron’ gesproken, wordt aldus teruggegeven:

 
Va, lui répond Jésus, je serai ton appui,
 
Et les cieux à ta voix s'ouvriront aujourd' hui
[p. 346]

en het lange verhaal van Jezus' sterven aldus besloten:

 
Voilà comment la terre a va le Roi des Rois
 
Mourir pour les humains sur l'arbre de la croix.

De slotverzen van het gedicht, door Jozef van Arimathea gesproken, doen denken aan die van Félix in Corneille's Polyeucte, waarvan ze toch maar een zeer zwakke navolging zijn:

 
Je vais ouvertement trouver le Gouverneur,
 
Lui demander le corps de ce divin Seigneur;
 
 
 
Possesseur d'un trésor pour moi rempli de charmes,
 
Je courrai l'embrasser, l'arroser de mes larmes,
 
Le couvrir d'un parfum aussi pur que nouvean,
 
Et lui rendre en ce jour les honneurs du tombean.

Nu mijne aandacht mede op dit gedicht gevestigd was geworden, wilde ik niet nalaten zijn bestaan aan de lezers van Parijsche devotie te vermelden. Maar het eenig belangrijke van de veertig bladzijden waaruit het bestaat is, naar ik meen, dat het verdwaald is geraakt tusschen ‘bewijsstukken der Fransche Revolutie’.

Waarschijnlijk heeft alleen de titel van het volgend geschrift (in proza), La passion, la mort et la résurrection du peuple, den oorspronkelijken verzamelaar aanleiding gegeven om ook dit gedicht onder zijne ‘bescheiden’ op te nemen. De inhoud toch is, zooals men heeft bemerkt, van zuiver devoten aard (politieke toespelingen heb ik er niet in kunnen vinden; ze worden ook door den toon der ‘opdracht’ uitgesloten), terwijl in de andere stukken waaruit de bundel grootendeels bestaat de godsdienst slechts den titel en den vorm aangeeft waarin politieke denkbeelden en democratische stemmingen worden uitgedrukt. Het zijn interessante bijdragen voor de kennis der innige relatie die bij vele revolutionnairgezinden (de schrijvers zijn, trouwens, zeer gematigd en getuigen gaarne van hun royalistische gevoelens; in het Credo staat het geloof aan den Koning bovenaan) tusschen hunne politieke aspiraties en hun christelijke voorstellingen bestond. Want de inkleeding is ernstig gemeend; geen spoor van profanatie; enkel allegorie.

 

A.G.v.H.

prepostterug  begin  verder