De Gids. Jaargang 63


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1899


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 189]

Dramatisch overzicht.

Het Nederlandsch Tooneel: Don Quichot op de bruiloft van Kamacho, blijspel in drie bedrijven door Pieter Langendijk.
Nederlandsche Tooneel-Vereeniging: Ghetto, burgerlijk treurspel in drie bedrijven door Herman Heyermans Jr.

Komt het Algemeen Nederlandsch Verbond, waarvoor onlangs niemand minder dan professor Kern te Amsterdam propaganda kwam maken, op een goed oogenblik? Wordt het besef levendig dat wij in ons land voor onze eigene letterkunde de plaats hebben te bewaren die haar toekomt, en dringt dat besef eindelijk ook door tot onze tooneelbesturen?

Bij gebrek aan meer dan één enkel Nederlandsch tooneelwerk van dezen tijd dat zich staande weet te houden, grijpt men naar de oude Nederlanders, en waar men pakt, daar pakken zij op hunne beurt.

Eerst was het Bredero die met De Spaansche Brabander, tegen de verwachting hier voor eenigen tijd door mij uitgesproken, maar tot mijn blijde verrassing, niet enkel een beperkt publiek van heel en half geletterden heeft geboeid, maar vele avonden achtereen een echt schouwburgpubliek heeft weten te vermaken. Thans is het Pieter Langendijk die met de klucht Don Quichot op de bruiloft van Kamacho na misschien meer dan een halve eeuw rust - de laatste vertooning, waarvan ik vind gewag gemaakt, is van 2 Januari 1843 - zich op den Amsterdamschen Schouwburg komt vertoonen.

Men zou kunnen vragen of het wel de moeite loont om den Don Quichot in zijn rust te storen. Moet men Jonckbloet gelooven, dan is het stuk niet veel zaaks: ‘aan eigen geest ontbreekt het geheel en zelfs de ruwe scherts is zeer dun gezaaid.’ Dat het zich des ondanks een tijdlang op het tooneel gehouden heeft, ‘zou een raadsel zijn

[p. 190]

als men niet wist met hoe weinig geest het groote Hollandsche publiek tevreden was en is.’

Moet ik er mij dan misschien over schamen, dat ik de vertooning van Don Quichot - hoeveel er als vertooning ook op aan te merken viel - vermakelijk gevonden heb? Voor een goed deel heb ik mijn vermaak zeker aan den voortreffelijken Sanche Pance van Louis Bouwmeester te danken, maar van den zotten schildknaap kan men ook wel zeggen dat hij het stuk draagt, er de boute en train, de gangmaker van is.

Al heeft Langendijk die zijn Krelis Louwen een klucht noemt, wijl het - gelijk hij zegt - een kluchtig geval betreft, Don Quichot een blijspel genoemd, omdat hij meende er een ernstigen achtergrond achter geschoven te hebben en in zijn stuk te hebben aangetoond,

hoe dat men schranderheid voor schatten moet waardeeren -

het kan niet verhinderen dat het stuk een klucht blijft, als een klucht gespeeld en als een klucht genoten wil worden.

Het ‘kluchtig geval’, aan Cervantes ontleend, is de list door Bazilius uitgedacht om Quiteria, die hem lief heeft, maar tot een huwelijk met den rijken boer Kamacho gedwongen wordt, voor den neus van denzelfden Kamacho, ja zelfs met diens toestemming, te huwen. Het onwaarschijnlijke van het geval, de voorgewende zelfmoord, waarvan alleen Quiteria geen dupe is, zoodat de pastoor geen bezwaar maakt om dit huwelijk in extremis te sluiten, maakt het niet minder kluchtig en de ontknooping, op het oogenblik dat de bruiloft in vollen gang is, al herinnert zij ook aan de ontknoopingen die de onsterfelijke poppenkast ons placht te bereiden, is er niet minder verrassend om.

Wat doet nu Don Quichot in deze contreien en wat heeft hij met het geval Bazilius-Quiteria uit te staan?

De schrijver van een omvangrijke en gewetensvolle studie over Pieter Langendijk, zijn leven en werken1), Dr. C.H.Ph. Meyer heeft Langendijk verweten, dat de intrige van zijn stuk zeer zwak is - een verwijt, dat heel wat kluchtspelen en van de beroemdste zou kunnen treffen - maar vooral dat zijn stuk eenheid mist. ‘Twee motieven,’ zegt Dr. Meyer, ‘vinden wij er in, die niet eigenlijk samenwerken, die niet goed dooreengevlochten zijn: de

[p. 191]

quaestie of Quiteria met Kamacho of met Bazilius zal huwen, en de voorstelling van Don Quichot met zijn schildknaap. Volgens titel en aanleg moesten de ridder Don Quichot en Sanche de hoofdpersonen zijn, moest op hen het meeste licht vallen en dit is in den aanvang en het midden ook werkelijk zoo; maar bij de ontknooping oefent de Ridder volstrekt geen invloed op den gang van zaken, integendeel, terwijl ieder om verzoening roept, wil hij met Kamacho vechten;... hij is het vijfde rad aan den wagen... De beide zaken hadden zeer goed ééne intrige kunnen leveren, die in alle opzichten voldeed. Wanneer door de hulp van Don Quichot het huwelijk van Bazilius en Quiteria tot stand kwam, wanneer hij aan 't slot als 't ware den doorslag gaf, dan zou er eenheid geweest zijn in de intrige.... Don Quichot zou dan in zekeren zin de Deus ex machina geweest zijn....’

Dr. Meyer heeft geen ongelijk. Er ware op de door hem aangegeven wijs, van de voorhanden stof waarschijnlijk een blijspel te maken geweest, beter beantwoordende aan de regels van de kunst. Langendijk zelf zou het den beoordeelaar van zijn leven en zijn werken hebben toegegeven. Te oordeelen toch naar de volgende versregelen waarmee hij Don Quichot opdroeg aan zijn vrienden de wiskunstenaars Hendrik Haak en Everhard Kraeyvanger, heeft een stuk, waarin de Ridder de hoofdrol zou vervullen, den dichter bij het maken van zijn kluchtspel voor den geest gezweefd:

 
Ik offer u, ô waarde vrinden
 
Den vroomen ridder Don Quichot,
 
Die steeds iets groots dorst onderwinden:
 
Maar voor zijn daden wierd bespot
 
Van volk dat hy niet wys kon maaken
 
Dat Amadis en Palmaryn
 
En honderd romantike snaaken,
 
Geen leugens, maar vol waarheid zyn.
 
Ik voer hen hier ten schouwtooneele:
 
Opdat hy met zyn zotterny
 
Voor and'ren (zyns gelyken) speele,
 
Dat alle waan maar zotheid zy;
 
Hoe al des waerelds schoone dingen
 
Maar by verbeeldingen bestaan,
 
En even als 't geluid na 't zingen
 
In wind en lucht terstond vergaan.
[p. 192]

Men is het er vrij wel over eens dat de held van Cervantes niet de caricatuur is, de pure zotskap, waarvoor men hem een tijdlang gehouden heeft, maar dat in de dwaze en droevige figuur een ridderlijke ziel huist en aan al zijn buitensporige daden en zijn hersenschimmen een edele gedachte ten grondslag ligt. Deze phantast, deze dolende dolleman is tegelijk de beschermer en redder van al wat zwak en misdeeld, de kastijder en wreker van al wat onrecht is, de man van het gemeenschapsgevoel en van de sociale rechtvaardigheid. In zijn phantastische droomerijen moge hij windmolens voor reuzen, een kudde schapen voor een vijandelijk leger, muilezeldrijvers voor Oostersche vorsten en den boer Kamacho voor ridder Splandor aanzien, voor zijn edelmoedigheid moge hij niets dan ondank oogsten, - van de eene teleurstelling in de andere vallende, blijft hij groot en edel, onbesmet en onverwonnen.

Heeft de jonge Langendijk zich Don Quichot zoo voorgesteld, toen hij op zijn zestiende jaar - gelijk tijdgenooten beweren - zijn klucht schreef? Het zijn zeker niet de minsten onder de broederen, in wie in hun jonge jaren, bij den overgang van knaap tot jonkman, iets van het onbesuisd-edelmoedige, van het chevalereske van den dolenden ridder huist. En er is veel te zeggen voor de bewering van Alberdingk Thijm in zijn opstel ‘Twee Pieters’1) dat Langendijk die opvatting van Don Quichot moet hebben gehuldigd, begrepen moet hebben dat ‘onder dit narrenpak huist grootmoedigheid, teederheid, liefde, zelfverzaking, al wat de menschelijke natuur vereert en de namen der besten onsterfelijk, hun daden vruchtbaar, hun nagedachtenis gezegend maakt.’

Is die onderstelling juist, dan zijn de boven aangehaalde versregelen als ironie van den kluchtspeldichter te beschouwen. Daarmee stemt overeen de rol die Langendijk zijn Don Quichot toebedeelt. Weliswaar geeft hij hem niet, zooals verwacht had mogen worden, de leiding van de handeling, laat hij den ridder niet rechtstreeks optreden als de beschermer van de zwakken, en is het niet door zijn tusschenkomst dat de liefde op het eind triomfeert - al moge dit ook aanvankelijk 's dichters bedoeling geweest zijn - maar ook den Don Quichot van Langendijk, al bepaalt hij zich in den regel tot visionnaire declamaties en al trekt hij slechts een enkele

[p. 193]

maal den degen, vinden wij steeds aan de zijde van Bazilius en Quiteria, dat is van de beschaving en het verstand, van het goed recht, de onbaatzuchtigheid en de waarachtige liefde.

Deze Don Quichot zal met dien anderen, Cyrano de Bergerac genaamd, kunnen zeggen:

 
Quand j'entrerai chez Dieu,
 
Mon salut balaiera largement le seuil bleu,
 
Quelque chose que sans un pli, sans une tache
 
J'emporte................ mon panache.

En naast dezen idealist, die in den grond niet belachelijk is, al schrijdt hij, vol majesteit, met zijn lange, magere beenen door een wereld van verbeelding, trippelt, zonder eenige gratie, zijn zotte tegenvoeter Sanche Pance, de man van de praktijk, van het laagbij-den-grondsche, de plompe, sluwe boerenjongen, bij wien het dwepen van den meester zwetsen is geworden; de ophakker die, egoïst en lafaard, als de nood aan den man komt zijn meester er voor laat optrekken, en, zelf in een boom het gevaar ontvluchtend, den ridder ‘kerasie!’ toeroept.

Dat hij, deze personages bij Cervantes vindend, zoowel de groote lijnen van hun figuur als de bijzonderheden aan den Spanjaard ontleende, doet aan de verdienste van Langendijk, die ze met zooveel goedrondheid en vroolijk humeur in een Hollandsch pak laat optreden, geen afbreuk.

Twee aardige typen van eigen vinding voegde hij er aan toe: Vetlasoepe, de Vlaamsche kok en meester Jochem, schoolmeester en rijmer. De grappigheid van eerstgenoemde ligt op de oppervlakte en bestaat hoofdzakelijk in een koeterwaalsch praten. Met meester Jochem had Langendijk iets meer voor. Meester Jochem, die ‘geheel doorweekt van zuiver hengstesop’, verzen bij de el fabriekt, honderd regels in een halven dag en sonnetten in een uur maakt, die voor geen woord terugschrikt als hij maar tot zijn verontschuldiging kan laten gelden: ‘'t komt zoo in 't rijm te pas’, geeft in de verschillende verzen, die hij voor Kamacho opdreunt, goed geslaagde parodiën op de verzen van zijn tijd, op de snorkende opdrachten, de rijmkunstjes, de naief sentimenteele liedjes.

Die allen bewegen zich om het huwelijk van Quiteria, voorbereid met Kamacho, maar gesloten met Bazilius.

De schim van Jonckbloet moge het mij vergeven, wanneer ik

[p. 194]

zijn afkeurend oordeel over Don Quichot wrakend, vooral in Langendijk's Sanche Pance en Meester Jochem dien ‘eigen geest’ waardeer, dien hij er vergeefs in zoekt, en mij schaar onder ‘het groote Hollandsche publiek’ dat tevreden is met de mate en de soort van geestigheid en uitgelaten scherts, welke in deze drie bedrijven te genieten valt.

Nu is het mogelijk dat een of ander dichter en droomer, een van die mannen in wien enkele van de eigenschappen van Don Quichot plegen te huizen, en die daardoor de dingen grooter zien dan ze een gewoon sterveling lijken, in dit kluchtspel van Langendijk een dieperen zin ontdekken of het een grootscher kunstwerk roemen zal. Heeft niet de heer H.J. Boeken onlangs verkondigd1) en zelfs op over-vernuftige wijze aangetoond, dat niemand tot op hem Breero's Spaansche Brabander op zijn reëele waarde had weten te schatten, dat de ‘menschen die zeggen dat De Spaansche Brabander enkel is een geestige zedenschildering, aan-één-schakeling van verhaal en beschrijving, zonder eigenlijke compositie’, dat die menschen het niet weten; dat Bredero's werk is ‘een prachtig combineerde comedie met middelpunt en kern èn den daarom heen gewassenen groei’; dat wij hier te doen hebben met de ‘hooge comedie, die eigen diepste leed in een lach door tranen doet zien en die eigen hongerendste begeerten op het wanhopig aangezicht des gefolterden tot den goedhartig-krullenden lach-mond des faunen weet zich te doen verbreeden.’

In afwachting dat de ziener Boeken ons ook van Langendijk's Don Quichot de verborgen beteekenis en de prachtige compositie zal ontdekken, nemen wij dit stuk voor wat wij er enkel in vermogen te zien: een vermakelijke klucht, zonder pretentie.

Maar hoe weinig pretentieus het stuk ook zij, een gewetensvolle en goed voorbereide vertolking eischt het zoo goed als het grootste meesterstuk.

‘De Nederlandsche Tooneelvereeniging’ had met de vertooning van De Spaansche Brabander aan haar oudere zuster een voorbeeld gegeven van hetgeen ernstige wil en geduldige arbeid vermogen. Met minder krachten heeft de jongere meer bereikt. Bij ‘Het Nederlandsch Tooneel’ toch miste men dat samenspel, die ver-

[p. 195]

eenigde lust om iets heel goeds en iets heel karakteristieks te maken, welke de vertooning van Bredero's blijspel kenmerkte. Van een leidende hand viel niets te bespeuren. Anders zou waarschijnlijk Kreeft den Kamacho niet zoo slap en saai gespeeld hebben, De Jong den Bazilius niet zoo onverschillig, tot onverstaanbaar wordens toe, hebben afgebrabbeld, Verenet niet zoo weinig relief hebben gegeven aan de type van den ijdelen prulpoëet meester Jochem, en zou de bruiloft met zijn slecht geregelden zang en dans niet aan een derde-rangs-schouwburg hebben doen denken.

Wie het buiten leiding bleken te kunnen stellen, waren Mej. Hopper, Schulze, Van Schoonhoven en Bouwmeester.

Een jonge tooneelspeelster te ontmoeten met aangename stem, gratie, verstand en goede manieren, nog door geen tooneelklank of conventioneel vertoon besmet, behoort op ons Hollandsch tooneel tot de zeldzame genietingen. Rika Hopper schonk ons dit genot in de ondankbare rol van Quiteria. Schulze had zich niet veel moeite te geven, en kon met zijn gezellige buikige goedigheid volstaan om een vermakelijken Vetlasoepe te vertoonen.

Door zijn reuzengestalte was Van Schoonhoven voor Don Quichot de aangewezen man: uiterlijk was hij dan ook een volmaakte Ridder van de droevige figuur. Den phantast, den man met de ‘panache’ weer te geven bleek echter boven zijn vermogen, en wanneer men de oogen sloot kon men soms denken dat Gijsbrecht van Amstel daar aan het declameeren was.

Maar welk een genot was het, Bouwmeester in zijn volle laagkomische kracht te zien als Sanche Pance! Zeker is er een andere, minder clownachtige opvatting van de rol denkbaar, in een minder schooierige plunje en minder vieze grime. Maar wij hebben hier met een klucht te doen, waarin overdrijving in den regel alleen dan schaadt, wanneer ze met minder geest en phantasie, met minder allesbeheerschende meesterschap volgehouden wordt dan hier het geval was. Want wat Bouwmeester met zijn opvatting gaf was àf; borrelend, schuimend, overkokend van zottigheid en uitgelaten geest. Alles was grappig aan den man met zijn geestig knippende oogjes, zijn naar binnen gedraaide beentjes, waarmee hij zoo vlug weet rond te scharrelen, in boomen te klimmen en over gedekte tafels te loopen.

Wanneer allen er zoo ‘in’ waren geweest, met dat entrain had-

[p. 196]

den gespeeld, en men had dan van den dans en den zang wat meer werk gemaakt (wat mevrouw Van Ollefen te hooren gaf was waarlijk al te poover), dan zou ik de Koninklijke Vereeniging hebben durven verzoeken het ook eens met andere Langendijksche spelen te beproeven: met Krelis Louwen, met den Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden misschien.

Maar nu weet ik waarlijk niet.... En toch voor ‘het levendig houden van den Nederlandschen geest’, zooals het Algemeen Nederlandsch Verbond het noemt, is er niets probater.

 

Dat iets als Nederlandsche geest zou levendig gehouden worden door burgerlijke treurspelen als Ghetto van Heyermans, is niet te verwachten. ‘Burgerlijk treurspel’ klinkt heel voornaam. In dit geval bleek het de benaming te zijn van een droevig-eindend tendenz-stuk, met voortreffelijke tooneeltjes uit de Jodenwereld van goocheme, schaggerende en scheldende, zeurende en temende joodjes, met een prachtexemplaar van een zachtmoedigen, vredelievenden, koffielepperenden en boterkoekjes smakkenden Rebbe - maar als geheel zoo hol, zoo hol, dat elk woord, dat het eigenlijke drama raakt, phrase wordt en in declamatie en ledig gegalm over de hoofden heen in de groote zaal wegsterft.

Of wat heeft het te beteekenen dat Rafael, die zijn blinden vader, den koopman Sachel eens, het is lang geleden, valsch heeft zien wegen, niet enkel daardoor de achting en het medelijden voor den man verliest, maar nu ook, generaliseerend en allen Joodschen kleinhandel als bedrog beschouwend, van geen Jodendom meer weten wil? En wanneer deze Rafael in het huis zijns vaders een liefdesbetrekking onderhoudt met Rose, de Christin dienstmeid, terwijl Sachel, tante Esther en Rebbe een Joodsch meisje, Rebecca, voor hem bestemd hadden, is het dan niet om iemand het laatste greintje sympathie voor dezen jongen man te doen verliezen, wanneer hij de arme Rebecca, die zich niets te verwijten heeft, met beleedigingen overlaadt?

Of heeft men hier misschien te doen met een soort van Joodschen Hamlet - zijn sarcastische verwijtingen aan Rebecca doen denken aan het bekende tooneel tusschen Hamlet en Ophelia -, wiens geest door hetgeen hij te weten is gekomen omtrent zijn vader, gelijk de ander omtrent zijn moeder, uit de voegen is geraakt?

[p. 197]

Men zou het kunnen meenen, wanneer niet de titel en de paraphraseering daarvan in het gesprek aan de koffietafel met den Rebbe (2e bedrijf) een anderen weg uitwezen. Ghetto heette, zooals men weet, in Italiaansche steden de wijk, waarheen men de Joden verwees en die men 's avonds placht af te sluiten. Men kon dus denken, dat het hier een pleidooi gelden zou tegen de afsluiting waarin de Joden door de Christenen gehouden worden. Maar wat Rafael ergert is niet dat de Joden buitengesloten worden, maar dat de Joden van zijn stand zichzelven buitensluiten. Ghetto wordt hier in een oneigenlijke, verwrongen beteekenis gebruikt, en dient als motief voor langdradige bespiegelingen, holle declamaties, vage hervormingswénschen, die zoo hoog in de lucht zweven dat men er geen touw aan vastmaken kan.

En zoo vertoont zich dit drama, onzeker van lijn en beteekenis, afmattend door zijn gerekte gesprekken waarin de dingen tot in het oneindige herhaald worden, en zoo onbeholpen (het ergst wel in het laatste bedrijf, in de kijf- en scheldtooneelen, het heen en weer geloop dat aan den zelfmoord voorafgaat) als had een eerstbeginnende het ontworpen en in elkander gezet, en niet een man die door zijn jarenlange ervaring als tooneelrecensent weten moest wat het tooneel verlangt en wat het verdragen kan.

De Nederlandsche Tooneelvereeniging heeft weer, zooals men van haar gewoon is, haar best gedaan. In hunne typeeringen van tante Esther en van Rebbe geven Mevrouw de Boer en de heer Ternooy Apèl kunst van hoogen rang. Die typen en tooneeltjes als van het schaggeren met Aäron in het eerste, de koffietafel in het tweede bedrijf - waar de schrijver binnen de grenzen van zijn tot een klein genre beperkt, maar daarbinnen zeer wezenlijk letterkundig talent blijft - zijn om uit te knippen. Maar het stuk redden kunnen zij niet.

Wie schenkt het wakkere troepje nu eens een succes-stuk dat tegelijk een kunstwerk is? Het verdient het ten volle.

 

J.N. van Hall.