De Gids. Jaargang 77


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 77. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1913


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 513]

Vijf liederen van Isoude.

I
 
Die niets der wereld vragen,
 
Dien gunt zij geen respijt
 
Van hare blinde lagen,
 
Van haar verdekten nijd:
 
Die langs haar heen naar andre stad
 
Redden huns harten donkren schat,
 
Wier oogen en gedachten
 
Niet op haar schijnlicht achten.
 
 
 
Met dek van roode rozen
 
Bespant zij haren kuil,
 
En lokt hun argelooze
 
Vrijheid naar bittren ruil:
 
Zij roept hen in haar booze klem
 
Met eener moeder teedre stem,
 
Geen minnaars tong kan halen
 
Haar looze nachtegalen.
[p. 514]
 
Die niet tot haar komt wijken,
 
Hem volgt zij op den voet,
 
Of ooit zijn trots bezwijke
 
Voor bod van goud en goed:
 
Dan, voor den ballast dien zij gaf,
 
Steelt zij der ziel heur nooddruft af,
 
Zij blindt hem 't licht der oogen
 
Dat hij haar dienen moge.
 
 
 
Die alles te verliezen
 
En niets te winnen heeft,
 
Doet best met haar te kiezen
 
Den strijd zoolang hij leeft:
 
Zij houdt geen woord, ze ontziet geen band,
 
Zij kent geen eerelijk bestand:
 
Haar listen overstrikken
 
Die zich tot vrede schikken....
 
 
 
Die strijdbaar zijn van minnen,
 
Die gaan in liefdes kracht,
 
Hen faalt zij te overwinnen
 
Met list of overmacht:
 
Zij sluimren licht, zij waken vast:
 
Zij worden nimmermeer verrast,
 
Die onbezwaard als droomen
 
Uit al gevaar ontkomen.
[p. 515]
II
 
Die éenmaal plengden
 
Uw onvermengden
 
Dag-verschen most,
 
Die éens ontwaakten
 
Naar U en smaakten
 
Uw soobre kost -
 
 
 
Die, vaak gelaafden,
 
Voorgoed verslaafden
 
Aan Uw onthaal,
 
Wier zaalge ellende
 
Niet meer gewende
 
Bij wereldsch maal -
 
 
 
Zij willen wel beiden
 
De onzeekre tijden
 
Waarop Gij noodt
 
Uw trouwe gasten,
 
Zij kunnen vasten
 
Al doet het nood.
[p. 516]
 
Hun honger sparen,
 
Hun dorst vergâren
 
Zij tot Uw uur:
 
Schaamlen en armen
 
Die nooit zich warmen
 
Aan eigen vuur,
 
 
 
Die keur van waden
 
Nog meer versmaden
 
Voor 't eenig kleed
 
Van hun verlangen
 
Naar 't op hun gangen
 
Vervaalde en sleet:
 
 
 
Hun blind verwachten
 
Laat hen niet achten
 
Op spot en smaad,
 
En schaamrood weren
 
Ze al gunst en eere
 
Die U verraadt...
 
 
 
Maar als hun schromen
 
In 't end zal komen
 
Tot Uwen disch,
 
Dan moet vergeten
 
Vóor de eerste bete
 
Al hun gemis:
[p. 517]
 
Zij moeten verschijnen
 
Te Uwen festijne
 
In kreukloos kleed;
 
Geen kan beschamen
 
Uw hoog verzamen
 
Met schaûw van leed:
 
 
 
Zij moeten stralen
 
In Uwe zalen
 
Van nieuwe jeugd,
 
Glanzend herboren
 
Voluit behooren
 
Aan Uwe vreugd:
 
 
 
Niemand mag eten
 
Uw brood gezeten
 
In droefenis,
 
En geen kan treuren
 
Om ver gebeuren
 
Die bij U is.
[p. 518]
III
 
Hier komt de stilte nooit tot rust:
 
Zwijgen verzucht naar dieper zwijgen:
 
Ik hoor de windeloosheid hijgen,
 
Een effen zee aan blinde kust.
 
 
 
Der vooglen roep beroert haar niet,
 
Het druizelen der waterbeken,
 
De loofgeluwde windestreken
 
Mengen niet met haar toonloos lied.
 
 
 
Ongrijpbaar als het bonte licht
 
Dat vleugt langs mijn gestilde handen -
 
Eén doove dreigen achter wanden
 
Van vreezen zonder aangezicht.
[p. 519]
IV
 
Mijn dag-loome oogen weven
 
Uit groene schaûw en zonneschijn
 
Het ver verroerloosd leven
 
In levend gobelijn.
 
 
 
In haren droom gevangen,
 
Wacht u het zonnig kind.
 
Zij zet heur harts verlangen
 
Op 't veedlen van den wind.
 
 
 
Zooals de zon van morgen,
 
Zoo twijfelloos verbeid,
 
Wijlt uw gelaat verborgen
 
In gulden heimlijkheid.
 
 
 
Gij nadert: in uw dagen
 
Vloeit droom en leven saam.
 
Gij zegt zoo teedre vragen,
 
Maar in een anders naam.
[p. 520]
 
Haar glimlach volgt, getogen
 
In zachter zeelen klem,
 
De glanzen uwer oogen,
 
Het water van uw stem.
 
 
 
Twee sterke harten wagen
 
Zich op den wanklen vloed.
 
De lichte golven dragen
 
Hun lachende' overmoed.
 
 
 
Maar als in 't rosse neigen
 
Van laten zonnebrand
 
De duistre kusten dreigen
 
Van 't overzeesche land,
 
 
 
Vluchten zij voor elkander
 
Weg aan elkanders borst,
 
In 't donker van den ander
 
Schuilt elk zijn laaien dorst...
 
 
 
Dan, eer uw lippen reiken
 
Tot mijner lippen wil,
 
Voel ik uw drang bezwijken,
 
Uw hart blijft in u stil.
 
 
 
Uw oogen zijn geloken,
 
Uw wangen bloedeloos,
 
Uw hoofd komt loom gedoken
 
Als een geknakte roos...
[p. 521]
 
Zoo haalt uit bonte droomen
 
De bleeke vrees mij thuis.
 
De wind waart in de boomen
 
Als zwijmlend zeegeruisch.
[p. 522]
V
 
Daar komt tot volheid van geluk
 
Een zoetheid die het hart niet klaart,
 
Een matheid die met loomen druk
 
Van slaap de ziel bezwaart....
 
 
 
Meer dan de ontbering die zij kent,
 
Bevreest zij rijkdoms overdaad,
 
De weelde die aan god gewent
 
Waar god verloren gaat.
 
 
 
Gun haar der vrijheid willekeur,
 
Als zon de wolk in regen laat:
 
Dan schep haar vorm opnieuw en beur
 
Haar glansverjongd gelaat...
 
 
 
Zij kan niet altijd met u zijn,
 
Opdat zij eeuwig u behoor'...
 
En onverdeeld bezit wordt pijn
 
Alsof zij u verloor.

P.C. Boutens.