De Gids. Jaargang 81


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 81. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1917


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 187]

Bibliographie.

De collectieve Psyche in Recht en Staat, door Mr. H.L.A. Visser; Haarlem, H.D. Tjeenk Willink en Zoon, 1916; 231 bl. tekst, waarachter 18 bl. met noten.

Een met volkomen zekerheid uitgesproken oordeel over dit boek zou buitengewoon veel tijd en studie kosten. Dit ligt, jammer genoeg, niet aan zijn diepzinnigheid en wetenschappelijke waarde. Het vindt helaas zijn verklaring in dalende waardeering, die met toenemend inzicht in de constructie van dit werk gepaard gaat. Want hoe meer men van de door den schrijver zelf geciteerde literatuur ter hand neemt, des te meer wordt men bevestigd in het vermoeden, dat Mr. Visser's boek niet veel beters is dan een even primitieve als naïeve compilatie. Te grooter eerbied krijgt men intusschen voor den kieschen tact, die dezen schrijver over collectieve psychologie bewoog om in dit boek - zelf een collectiviteit van auteurs - van zichzelven nimmer dan in het meervoud te spreken.

Het werk vertoont het uiterlijk eener uno impetu geschreven zelfstandige studie, waarin met ontzagwekkende belezenheid de in 205 noten verantwoorde literatuur is verwerkt. Doch toen ik, wantrouwend geworden door enkele plaatsen waar eenige bronnen al te oppervlakkig aangewend schenen, en door ettelijke zonderlinge Germanismen, mij geroepen gevoelde te controleeren, welk gebruik de schrijver maakt van de auteurs, die hij noemt, bleek mij, dat Mr. Visser al schrijvend zijn eigen woorden herhaaldelijk kalmweg laat overgaan in van hen overgenomen uittreksels, en in bijeengepikte, vertaalde, zinnen of zinsdeelen, zonder dat hij door aanhalingsteekens aanduidt zelf tijdelijk van het woord af te zien. Evenals hij zich in den geest met zijn bronnen één waant, schijnt hij ook in het betoog met haar te willen samenvloeien. Alleen de noten en de

[p. 188]

verandering van stijl wijzen den lezer, die eenmaal in deze methode is ingewijd, er op, wie telkens aan het woord is.

Het begint reeds bij den 5en regel op bl. 1, waar de schrijver, zonder aanhalingsteekens of andere aanduiding, den tekst doet overgaan in zinnen, vertaald uit een in noot 5 e.v. genoemde studie van von Moeller over het ontstaan van het begrip volksgeest; de 10 volgende bladzijden bestaan uit vertalingen van geheele zinnen en stukken uit die studie, hier en daar afgewisseld door een kort resumé.

Het is de moeite waard om na te gaan, hoe typisch bl. 38-45 in elkaar zijn geflanst. De schrijver zal ons de geschiedenis van het gewoonterecht schetsen en bezigt daarbij het werk van Brie ‘Die Lehre vom Gewohnheitsrecht’, dat hij in de noten herhaaldelijk vermeldt. Maar slaat men nu de door hem daaruit genoemde bladzijden op, dan blijken bl. 38-41 van zijn eigen boek een legkaart van zorgvuldig bijeengegaarde verdietschte zinnen uit Brie. Als bron voor zijn conclusie omtrent de beteekenis van het gewoonterecht verwijst hij naar prof. Kosters' boekje over het gewoonterecht, maar Mr. Visser schept uit die bron niet alleen zijn inzichten, doch ook een groot deel van zijn woorden, zinsdeelen en geheele zinnen en maakt zich op zijn bl. 42 zoo ook op zintuigelijk waarneembare wijze één met den bekwamen jurist. Bladzijde 43 is een vertaling uit de door Mr. V. geciteerde bladzijden 340 en 341 van Gumplowicz' Allgemeines Staatsrecht; een stuk noot van Gumplowicz is eenvoudigheidshalve in den tekst mee vertaald en op de vier volgende bladzijden, voor zoover ik ze determineeren kon, vond ik hier en daar stukjes tekst en resumé uit Klein ‘Die psychischen Quellen des Rechtsgehorsams’. 't Is wel interessant er bij te voegen, dat bladzijde 43 één der plaatsen was, die mijn argwaan heeft gaande gemaakt. Hier staan twee bijzonder onbeholpen Germanismen: ‘zelfsprekend’ (dat een vertaling bleek van ‘Selbstverständlich’) en ‘voorwoord’ (in plaats van voorzetsel), als vertaling van ‘Vorwort’ uit den Duitschen tekst. Een waardig pendant van dit laatste is de vertaling (op bl. 39) van ‘Beiwörtern’ uit Brie (bl. 105) door ‘bijwoorden’ (in plaats van ‘bijvoegelijke naamwoorden’), waarbij n.b. als voorbeelden worden genoemd de Latijnsche woorden ‘longa’ en ‘diuturna’! Trouwens met het Duitsch staat Mr. Visser blijkbaar op gespannen voet1). Zoo vond ik op bl. 3 ‘Klugheit’

[p. 189]

vertaald door ‘kloekheid’ en ‘Vernunft’ door ‘verstand’, op bl. 5, ‘betont’ door ‘toont aan’, ‘Vorkehrung’ door ‘verandering’. Op bl. 113 is van bl. 131 van een hieronder te noemen boek van Bauer ‘Urversammlung’ (primitieve volksvergadering) door ‘oerverzameling’ weergegeven! Andere krasse Germanismen zijn: levensaanschouwing (59), wereldaanschouwing (101), spaandak (78), ontnemen in plaats van ontleenen (115), handelskamers (115), bewegelijke zaak in plaats van roerende zaak (188), staatspraxis (226), jacht naar gevolg en energisch (126).

Op bl. 147 vertelt de schrijver, dat hij eenige ‘vooral’ aan Frazer's werk ‘Psyche's Task’ ontleende voorbeelden van bijgeloof, dat nuttige rechtsbeginselen steunt, zal bespreken. Elf bladzijden worden daarmede gevuld. Maar Mr. Visser vertaalt niet alleen voorbeelden doch ook beschouwingen van Frazer. Hier laat hij zich op bl. 148 bij noot 110 leelijk in de kaart kijken. Hij vermeldt daar iets van het landschap Loewoe op Celebes, waarbij hij Adriani en Kruyt als zegslieden aanhaalt, en bij ongeluk spelt hij het landschap overeenkomstig de Engelsche uitspraak: Loowoo! Tegelijk heeft hij het over een ‘Rajah’, waar Adriani en Kruyt van ‘Datoe’ spreken. Contrôle leek mij hier noodig, en nu bleek, dat hij ook het door de noot aangewezen tekstgedeelte letterlijk heeft vertaald uit Frazer, die zelf niet alleen door het noemen van zijn bron, maar ook door aanhalingsteekens de herkomst aangeeft, doch Datoe vertaalt met Rajah. Heeft Mr. V. wel de moeite genomen Adriani en Kruyt na te slaan? Gelijke vraag kan men stellen als men de verwijzing naar A. en K. bij V.'s noot 117 vergelijkt met het origineel op bl. 401 en Frazer's vertaling op bl. 30/31. A. en K. spreken van een leguanenkop die in een menschenhoofd bijt en over een dief, die ‘sterven moet’: Frazer vertaalt: ‘the head (of an iguana) bites the thief's head’ en ‘the thief is a dead man.’ En Mr. Visser praat nu ook rustig over een dierenhoofd en van den misdadiger die ‘een dood man is.’ Een verder onderzoek toont, dat al het op bl. 147-158 vermelde uit Frazer overgenomen en grootendeels doodeenvoudig vertaald is. In de mededeeling op bl. 147, dat de volgende voorbeelden vooral aan Frazer zijn ontleend, moet derhalve het door mij gecursiveerde woord een drukfout zijn: men leze álle. Ook alle autoriteiten, in de noten 110-140 genoemd, van Mozes en Homerus af tot

[p. 190]

Adriani en prof. Nieuwenhuis toe, vindt men terug bij den Nederlandsch lezenden Frazer, behoudens een werk van prof. Visscher, waaruit echter niets is overgenomen.

Zonder eenige bedoeling van Mr. V. na te rekenen sloeg ik eenigen tijd na de lezing van zijn boek een werk van Vierkandt op, getiteld: ‘Die Stetigkeit im Kulturwandel.’ Mr. Visser vermeldt in noten 90, 94, 96, 141-'43, 145 den schrijversnaam Vierkandt, doch het bijgevoegde ‘l.c.’ brengt den lezer in den waan, dat hij naar het in noot 67 aangehaalde werk van Vierkandt, ‘Naturvölker und Kulturvölker’, wordt verwezen. Het bleek mij echter, dat bl. 136 en de eerste helft van bl. 137 van Mr. V.'s boek stukken vertaling bevatten uit bl. 203, 201 en 202 van Vierkandt's ‘Stetigkeit.’ Visser's bl. 139 en 140 zijn gevuld met zinnen overgenomen uit bl. 53-57 van hetzelfde werk van Vierkandt, behoorende tot een paragraaf die, evenals die van Mr. V., ‘Wetenschap’ is gedoopt. De in noot 95 door V. aangehaalde auteurs Nachtigal en Junker vermeldt Vierkandt op bl. 54. Mr. V.'s verbijsterende uitspraak (bl. 139-140: ‘Dat het nu in het algemeen bij den aanvang der wetenschappen een belangrijke rol gespeeld heeft, komt ook overeen met het feit, dat men het begin der geometrie uit de landmeting, het begin der astronomie uit de waarneming der sterren in religieus, huishoudelijk en nautisch belang.... afleidt,’ wordt eensklaps duidelijk wanneer men bij Vierkandt (bl. 55) leest: ‘Welche auslösende Wirkung der Nutzen auf die Anfänge der Wissenschaft geübt hat, ist oft betont worden. So werden die Anfänge der Geometrie aus der Feldmessung, diejenigen der Astronomie aus der Beobachtung der Gestirne im religiösen, wirtschaftlichem und nautischen Interesse.... abgeleitet.’

Het plunderen van Vierkandt begint weer op bl. 158, onmiddellijk nadat Frazer uitgeput is. De aan ‘kunst’ gewijde paragraaf komt op tal van plaatsen in bl. 158-163 geheel overeen met de gelijknamige paragraaf van Vierkandt. Bl. 162 is zoo goed als geheel vertaald. Komisch doet de vertaling van ‘Schauspiel’ door ‘schouwspel’ aan. (‘Dat het gecompliceerde verschijnsel van het schouwspel niet uit niets is voorgekomen, maar in den vorm van de mime zijn voorloopers heeft...’), maar het vermakelijkste is de klakkelooze overneming van het woord ‘Rüpelszenen’1).

[p. 191]

De vrijmoedigheid, waarmede de auteur copieert, is zoo groot, dat het niet veel moeite kost de herkomst zijner beeldspraken na te gaan. Een beeld: ‘de openbare meening, die draden spint van de vox populi naar den Staat’ beviel den schrijver zoo goed, dat hij het driemaal (bl. 101, 110 en 125) bezigt; het is afkomstig van Bauer, bl. 110 bovenaan. Een ander beeld: ‘het vereenigingswezen, dat evenals de geheele cultuur met de eene hand mooie bloemen en met de andere onkruid zaait’ (bl. 106), is overgenomen uit bl. 247 van het zoo aanstonds te noemen werk van Klein. De ‘ideëele zaken die in etherische hoogten als een regenboog boven de harde realiteiten van het leven zweven’ (bl. 137), zijn van Vierkandt (bl. 202).

Laat ik, om deze narigheid te besluiten, nog even vermelden hoe het derde hoofdstuk over openbare meening en organisatie voor een deel in elkaar is gelijmd. Trouwhartig als steeds noemt de schrijver o.m. Bauer ‘Die öffentliche Meinung’ en Klein ‘Das Organisationswesen der Gegenwart’ meermalen als zijn voornaamste bronnen. Maar ook vrijmoedig en primitief als steeds, bouwt hij heele stukken op van uittreksels en vertaalde zinnen. Op bl. 89-99 overweegt het geresumeer, op bl. 100 daarentegen het knipwerk. In § 2 (over organisatie) treedt Mr. Visser weer meer als knipper op; hier levert Klein de uitknipsels. In § 3 (openbare meening en staat) zijn allerlei zinnen en stukken vertaald of geresumeerd uit Bauer en andere in de noten genoemde schrijvers. § 4 (pers en openbare meening) ontleent een groot deel van inhoud, woordenkeus en stijl aan Bauer en in § 5 (mogelijkheid eener organisatie der openbare meening) zijn de geheele bladzijde 127, stukken van bl. 126 en van bl. 128, vertalingen uit niet eens in een noot genoemde bladzijden 244, 245, 239, 240 en 241 van Klein's ‘Organisationswesen.’

 

Het is voor den kritikus een zeer onaangename taak dit werk aan een objectief oordeel te onderwerpen. Men weet bij slot van rekening niet meer, waar de auteur zelf aan het woord is en waar men, argumenteerend, tegen vertaalde brokstukken praat. Met behulp van kennis omtrent den slependen stijl van Mr. Visser zelven - kennis die men kan putten uit gedeelten, waar zijn oorspronkelijkheid onverdacht is, zooals in de voorrede - kan men trachten te determineeren, op welke plaats hij

[p. 192]

zelf aan het woord is, doch de lust daartoe ontbrak me. Ik bepaal mij liever tot een bespreking van de algemeene strekking en de techniek van het werk.

Collectieve psychologie, in den ruimsten zin opgevat, is de wetenschap, die de sociale verschijnselen tracht te verklaren door het psychisch op elkaar inwerken van de individuen. Zoo bezien kunnen al de sociale verschijnselen tot het gebied van de collectieve psychologie gebracht worden, evenals men omgekeerd kan zeggen, dat de collectieve psychologie in elke sociale wetenschap haar rol zal spelen. Is nu de collectieve psychologie een zelfstandige wetenschap of is ze te beschouwen als een soort van methode of nieuw element, die in elke sociale wetenschap moeten medewerken? Deze vraag, die men ten aanzien van de sociologie evenzoo kan stellen, schijnt me niet gemakkelijk oplosbaar, maar ook niet zeer belangrijk toe. Ze is, op den keper beschouwd, slechts een vraag van wetenschappelijke arbeidsverdeeling en het zal aan ieders aanleg en belangstelling worden overgelaten, of hij de collectief-psychologische verschijnselen in alle sociaal gebeuren wil nagaan, dan wel zich beperken zal tot het aanwenden van het collectief-psychologisch inzicht bij de speciale wetenschap, waaraan hij zich wijdt. Het collectiefpsychologische is daarbij moeilijk te scheiden van het algemeen psychologische. Dit schijnt mij inmiddels wel vast te staan, dat de sociale wetenschappen, godsdienst, ethiek en geschiedenis daaronder begrepen, op den duur niet dan tot haar schade het psychologisch element zullen verwaarloozen. De waarde van dit element ligt voor mij voornamelijk hierin, dat het de werkelijkheid meer dynamisch doet zien en de wetenschappen in staat stelt een juister beeld dan tot dusver te ontwerpen van de realiteiten van de krachten, die haar stuwen. Trouwens voor vele sociale wetenschappen, zooals het privaat- en strafrecht en de staathuishoudkunde met de belastingwetenschap, de rechtsphilosophie en ten deele ook het staatsrecht, zal de bewuste aanvaarding van het psychologisch element niet een vernieuwing zijn, maar slechts een stelselmatige, meer uitvoerige toepassing van hetgeen feitelijk nu reeds in die wetenschappen geschiedt.

De subjectieve verdienste van Mr. Visser is zeer zeker, dat hij getracht heeft, zij het bij wege van compilatie, de beteekenis van het collectief-psychologisch element voor de wetenschap in het algemeen en voor de kunst, voor de rechtswetenschappen, zoomede voor de bestudeering der openbare meening, het vereenigingswezen en de staatkunde, aan te wijzen. Maar ook als compilatie blijft zijn boek een zwak werk. Er zit geen pit, geen leidende gedachte in, en wat nu eigenlijk de conclusie

[p. 193]

moet zijn, die in hoofdstuk VII onder den titel ‘Terugblik en consequenties’ wordt uiteengezet, is mij niet duidelijk geworden.

Wat mij de hoofdbeginselen van de collectieve psychologie toeschijnen - de enkeling product en nieuwe oorzaak van ideeën en toestanden, de waarde van den enkeling voor het scheppen van nieuwe ideeën, de overneming daarvan door de leden van zijn milieu in verschillende gradatie van bewustheid en overtuigingskracht, de versterking of verzwakking van zekere neigingen door de wetenschap, dat men ze met anderen deelt - deze beginselen zwemmen wel in het boek rond, maar scherp omlijnd vindt men ze niet.

De schrijver heeft te veel principieele vraagstukken willen bespreken, zooals: het ontstaan van het recht, het gewoonterecht, recht en macht, staat en recht, recht en moraal, volksmoraal en staatsmoraal, collectieve strafrechtelijke verantwoordelijkheid, het parlementaire stelsel, openbare meening en organisatie. Hoeveel daarvan heeft hij zóó doorwerkt dat hij ze beheerscht? De hoedanigheid van het betoog laat een enkele maal geen qualificatie toe dan die van geleerd gebabbel. Aldus bij uitstek bl. 144, waar midden in den tekst van een met het opschrift ‘Wetenschap’ getooide paragraaf heel gemoedelijk het wezen der waarheid geformuleerd wordt door het groote woord: ‘Waarheid is slechts de meest doelmatige graad van dwaling’! Daaraan gaan vooraf en daarachter volgen eenige losse beschouwingen over waarschijnlijkheid en fictie, alsof er geen kennistheorie bestond.

Een goed innerlijk verband ontbreekt tusschen de hoofdstukken en zelfs tusschen de onderdeelen van eenzelfde paragraaf. Hetzelfde onderwerp wordt in verschillende hoofdstukken behandeld: het parlementaire stelsel (bl. 67 c.s., bl. 175 e.v.), de staatsmoraal (passim), het partijwezen (bl. 111, 131, 181). De overzichtelijkheid van de stof, die reeds door het eigenaardige compilatie- en vertaalstelsel benadeeld is, wordt door de gebrekkige techniek nog meer bemoeilijkt. Eenzaam staat hoofdstuk VI te midden van zijn collega's. Onder den titel ‘Droit et adroit’ bevat het een zeer slordige levensschets van den 18e eeuwschen Franschen letterkundige Duclos, vermoedelijk bedoeld als voorbeeld, hoe men de levensbeschrijving kan gebruiken, wanneer men zich, bij collectief-psychologische studiën, ter ondersteuning van zijn theorieën of wenschen op ervaringsfeiten wil beroepen.

De objectieve waarde van het werk bepaalt zich hiertoe, dat zij, wier aandacht door de door Mr. V. behandelde onderwerpen wel eens getrokken wordt, er nuttige literatuuropgaven in aan-

[p. 194]

treffen en zelfs in den tekst hier en daar goede opmerkingen. Zoo doet het ons kennis maken met belangwekkende proefnemingen op het gebied van betrouwbaarheid van getuigen, voorliefde voor bepaalde getallen, suggestibiliteit ook van intellectueel hoogstaande menschen.

Mr. Visser belooft ons, in zijn huidige voorrede, voor de toekomst een meer stelselmatig werk over collectieve psychologie. Een klein boekje, van beteekenis, zoo al niet door nieuwe centrale ideeën, dan toch door meesterschap over de stof en door heldere uiteenzetting van de hoofdbeginselen der jonge wetenschap, zou welkom zijn. Maar de daartoe onvermijdelijke concentratie is alleen dan van den heer Visser te wachten, indien hij zich vatbaar toont voor wetenschappelijke wedergeboorte door deze kritiek blijmoedig als een loutering te aanvaarden.

 

J.J. Boasson.