De Gids. Jaargang 90


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 90. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1926


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 119]

Over Van Deyssel's ‘Een liefde’.

Van Deyssel's roman ‘Een Liefde’, heeft bij zijn verschijnen zeker wel het meeste opzien gemaakt van al zijne producten; alleen zijn brochure ‘Over Litteratuur’, die er aan vooraf ging, heeft misschien even sterk de aandacht getrokken.

Het is nu bijna veertig jaar geleden, dat ‘Een Liefde’ verscheen. Er was in dien tijd veel bewondering voor het boek van de zijde der partijgangers der nieuwere litteratuur, doch ook de verontwaardiging over de hier en daar zedelooze uitingen was niet minder groot. De hevigheid der beide tegenovergestelde opinies over het boek is op het oogenblik geluwd. Wij, na bijna veertig jaren, overzien de hoogten en laagten van het werk met meer duidelijkheid. Het is geworden voor ons een stuk verleden onzer litteratuur. Wij leggen niet meer den maatstaf aan van het naturalisme of van eenige andere kunstrichting, maar dien van de zuivere en essentieele proporties, die aan een kunstwerk ten grondslag moeten liggen.

Deze roman zou een levenstafereel kunnen genoemd worden uit het Amsterdam van het laatste der negentiende eeuw. Zoo goed als niets bizonders wordt er ons in verhaald, maar toch blijft, vooral in het eerste deel, onze aandacht geboeid. Het is de eenvoudige toon, waarin het verhaal voortschrijdt, al is hij dan ook oppervlakkig, die ons inneemt. Ook de zuivere, hier en daar levendige voorstelling der gebeurtenissen is een van de uitstekende eigenschappen van het verhaal. Waar in precies de voortreffelijkheid ligt is moeilijk te zeggen, maar vooral het eerste deel maakt den indruk van groote kunst.

[p. 120]

De kleine gebeurtenissen, die aan het huwelijk van Jozef en Mathilde vooraf gaan, de bezwaren, die deze heeft om haar vader alleen te laten in haar later leven, het voorstellender levenseigenaardigheden van den ouden heer de Stuwen, het heen-en-weer-bewegen in het huis van de oude keukenmeid, het is alles echt weergegeven. Vooral de beide eerste hoofdstukken, waarin het ontwaken der liefde bij Mathilde wordt verteld, munten uit door bizondere schoonheid. Het lijkt alles levenswaar. Daar is ook gemoed in. Mathilde en haar vader zitten hier in een stemmige verlichting van innerlijkheid. Zoo bladz. 25 I Deel, wanneer Mathilde 's avonds op haar kamer zit te mijmeren, nadat Josef haar voor het eerst zijn liefde heeft verklaard:

‘Mathilde telde de sterren, een voor een en haar oogen sponnen stralen van de eene groep overzwervend in de andere, en altijd voort, over de heele luchtvlakte. Al die blauw-zilveren en rood-gouden stralende sterren van de donkerblauwe lucht dalend op haar hoofd, waren één kleur en één geflonker in haar ziel. In blinkende kringen, in warrelingen van zilverend blauw en goudend rood en lichtend groen dansten zij den rijdans van haar liefde, Maar Mathilde's droomen kwijnden in een duizeling. Zij zag niets als goud en zilver. Een wemelende regen van helle vonken draaide er dooreen. Daalde haar blik tot de boomen, dan zag zij de sterren tot onder de takken, overal in de rondte. En het gaslicht vlamde hoog daar tussohen door. En al heviger werd het vuur. Alles kwam samen en tintelde wech in elkaâr. Er was een val van diamanten in een geel en roode vlammenzee. Toen, zich wechdenkend in dat visioen, tegenover dien hemel van goud, die daar brandde, rees het woord uit de diepste diepte van haar gemoed, toen zeide zij aan de vlammende ruimte vóór haar, haar geheim, en, de handen naar voren om te danken, zêi zij hardop: ‘O God, o God, wat ben ik gelukkig.’

Zoo is de toon, vooral in het begin van het boek een voortreffelijke. De auteur heeft zich voorgesteld alleen de simpele liefde van een vrouw tot haar man te geven, de simpele liefde in het huwelijksleven van een jonge vrouw uit de welgestelde burgerij. Zij duurt een zekeren tijd, door dat de vrouw hare idealen in haar jongen man meent te zien verwezenlijkt; maar wanneer zij overtuigd wordt van de ontrouw van haar man, sterft ook de liefde. Doch het is niet alleen de ontrouw van

[p. 121]

haar man, die hare liefde doet dood gaan, maar zij is geleidelijk gaan inzien, dat die man een zeer banale is, en wanneer zij langzamerhand tot de ontdekking komt, dat haar gevoel hemelhoog boven dat van haar man uitrijst, dan heeft zij geen steunpunt meer om hare liefde vast te ankeren. Er is, naar ik meen, een oud Indisch spreekwoord, dat zegt, dat de liefde eindigt door afwezigheid en door nog eenige andere oorzaken, en, voegt het spreekwoord er bij: Zij gaat ook zóó weg. Zoo zou het ook bij Mathilde zijn geweest; de ontrouw met de kindermeid in het eigen huis bespoedigt alleen dit weggaan der liefde.

Dit dood gaan van Mathilde's hartstocht is zeer omslachtig gegeven. Wij krijgen er de beschrijving van hoe zij in dien zieletoestand de dingen om zich heen ziet. Zij komt haast niet uit haar huis te Hilversum, zij komt alleen in den tuin. Bladzijde na bladzijde is gevuld met de visioenen van die wegstervende liefde. Somber ziet zij de kleuren om zich heen van den tuin en van de kamers. Uit de donkere hoeken komen de schaduwen der onafwendbare melancolie.

Er komen in dit boek slechts twee personen voor, die voortdurend op den voorgrond treden, en van deze twee is het Mathilde die de groote rol speelt. Hare liefde voor Josef is van zelf gegroeid uit hare kinderjaren. Daar na komt Josef tot het bewustzijn, dat hij in haar wel een goede vrouw zou hebben en zoo geschiedde hunne verloving bijna onmerkbaar. Zij had als kind reeds op zijn knieën gespeeld. Hij zal een jaar of tien ouder zijn geweest dan zij.

Eigenaardig is de schildering van deze twee personen, die, men kan niet zeggen, dat zij met groote objectiviteit zijn geprojecteerd in de werkelijkheid, toch als levende wezens zijn voorgesteld en van elkander verschillend. Van Deyssel heeft veel van zich zelf in de persoon, het karakter, de gevoelens van Mathilde gelegd. Niet minder in die van Josef. Het uiterlijk optreden, de daden der levensbewegingen zijn meer van Josef genomen, terwijl de gevoelens, de meer bedekte sensaties, bij Mathilde worden aangetroffen. Mathilde en Josef, zij zijn beiden van Deyssel, doch ook hier weer, laten wij niet te veel op de subjectiviteit afgeven, is meestal de conceptie genoegzaam gedifferentieerd, zoo dat er twee afzonderlijke individuen voor den lezer worden geboren.

Josef is niets als uiterlijk Mathilde ziet hem alleen in zijn

[p. 122]

vormen, oogen, wangen, handen, lichaam, of zij ziet zijn kleeren. Zij spreekt of denkt niet over zijn ziel, over zijn innerlijk. Wij vernemen eigenlijk niet veel van zijn persoonlijkheid. Dit komt hoofdzakelijk door dat de auteur zich heeft bepaald tot de uiterlijkheden. Josef is de Amsterdamsche nette mijnheer.

De leden van de zoogenaamde jeunesse dorée gelijken oppervlakkig allen op elkaar, doch dat is maar schijn. Er zijn wel degelijk verschilen in karakter en in wezen, doch juist tot die verschillen is de auteur niet doorgedrongen. Hij heeft de schuilhoeken van Josef's ziel niet onderzocht, hij geeft hem oppervlakkig, hij geeft de bovenlaag, zoo als wij die waarnemen bij de meeste menschen, die wij tegenkomen in ons dagelijksch leven. Josef is meer een ledepop dan een mensch van duidelijken hartsstocht. Wij weten niets van zijn plannen om zaken te doen, wij kennen niet zijn bevattelijkheid voor diepgaande indrukken. Wij weten niet of hij trotsch is of verkwistend of gierig. Het vermoeden rijst nu, dat hij in alles even matig is, zelfs in spijs en in drank. Wij hooren ook niet of hij zijn kind wezenlijk bemint. Zelfs zijn verhouding tot Mathilde blijkt gebonden aan conventie. Wij weten niet of hij werkelijk van haar houdt; zij is voor hem eerder een stuk meubel dan een vrouw. Wij hooren, dat hij haarmiddelen gebruikt en verschillende costumes en dassen heeft. De som der uiterlijkheden, die ons wordt gegeven, is wel groot genoeg om onze aandacht op zijn persoon te vestigen, maar maakt hem niet tot een volledig duidelijk mensch. Ik hoorde indertijd beweren, dat hij een mooie creatie is. Mogelijk is dat wel waar, doch zijn persoonlijkheid vol banaliteit en vol fatsoenlijke deftigheid is niet tot in bizonderheden uitgewerkt. Wij zijn niet zeker van hem. Wij kunnen echter aannemen, dat hij een man is, van wie de ‘Schoolmeester’ zoude hebben kunnen zeggen, dat hij zich zelf niet kon zijn, ‘want hij was niemand’. Hij doet heel weinig. Hij schelt aan, hij komt binnen, zegt goedendag aan de oude dienstbode, vraagt hoe het gaat. Het eenige saillante is, dat hij op het eind de kindermeid gaat begeeren en met haar een stille verhouding aanknoopt. Doch ook daar van wordt ons niets bizonders gezegd, het wordt alleen aangeduid. Hij leeft niet in levende lijve. Dit komt omdat van hem slechts eene kleine som van levensdaden wordt gegeven, waar uit

[p. 123]

zijn wezen en zijn ziel zouden kunnen worden opgebouwd Het schijnt als of de auteur hem heeft gevangen gezet in de gangen van het meest onbeduidende leven. Hartstochten en gevoelens worden bij Josef niet openbaar. Wel moet men aannemen, dat zij er zijn, doch zij komen niet tot de geringste ontwikkeling. De auteur geeft alleen datgene, wat wij oppervlakkig van iederen nauwlijks bekenden mijnheer komen te weten. Hij laat hem dan ook niets doen, wat onze belangstelling zou kunnen gaande maken. Zoo krijgen wij een eenigszins grauwe reproductie van het leven, die alleen zich blijft bewegen aan den buitenkant. Daar aan is de richting van het toenmalige naturalisme veel schuld, want dit stelde zich hoofdzakelijk ten doel het uiterlijk aspect der dingen te geven, zonder te vragen wat daar achter zat. Het psychisme dier dagen ging daar van uit; men was tevreden daar mee en dacht de hoogste kunst te hebben bereikt. Ik zal niet tegen het gewettigde van deze meening opkomen. Zoo als ik ze nu beschouw, in het licht van andere mogelijkheden, blijft zij eene gewettigde richting, doch zij is niet de eenige, die voert naar hooge kunst. De auteur heeft hier iets heel gewoons willen geven, iets algemeens, dat bij menigeen wordt aangetroffen. Dit heeft hij meesterlijk gedaan; hij heeft bereikt wat hij wilde.

In het eerste deel van deze geschiedenis gaat van Deyssel zich niet te buiten. Daar na ontwikkelt hij de gevoelens van Mathilde tot verbazingwekkenden bloei. In het eerste deel schreden zij samen, man en vrouw, den gewonen gang van het dagelijksch leven. Josef blijft op dien weg voortgaan in hetzelfde tempo. Mathilde verheft zich tot hoogere lagen en zij ontvangt de buitengewone visioenen van een dagelijksch bestaan, waar van ieder deel als een prisma met duizendvoudige facetten glinstert.

Zoodoende wordt deze roman de liefde van de vrouw, waarbij de liefde van den man geheel in het met valt. Zoo is het ook door den auteur bedoeld en alhoewel tusschen het eerste gedeelte en het laatste een groot verschil is in de stroomingen der sensaties, kan men den gang en de ontwikkeling niet afkeuren. Wel heeft het tweede deel eene ontwikkeling, waarop men zich niet had verwacht en het is als het ware eene verrassing al deze sentimenten der vrouw aan des auteurs hand te moeten doorleven. Ik voor mij hadde aan zijn eerste manier,

[p. 124]

zoo als die is neergelegd in de eerste hoofdstukken, de voorkeur gegeven. Wij zouden dan een meer gaaf kunstwerk hebben gekregen, de toon zoude meer gelijkmatig zijn gebleven, een puurder meesterstuk zoude zijn ontstaan.

Wanneer de auteur de tweede manier in al hare details had willen uitwerken en geven, hadde hij naar mijne meening de scheiding meer duidelijk moeten maken. Hij had tusschen de gewone manier van voelen van de vrouw en de latere meer buitengewone eene opening moeten laten, eene opening van tijd en eene oorzakelijke aanwijzing der verandering. Nu heeft hij voor lief gevonden dit meer onmerkbaar te laten zien, en zoo vloeit het eene in het andere te veel over. De geleidelijkheid is zeker te prijzen, doch hier is zij minder op hare plaats, omdat zij onwillekeurig eene verwarring heeft gesticht. De gang van het verhaal is in de beide deelen verschillend en hier in ligt de tekortkoming van dezen roman. Beter ware hij geheel zoo als het tweede deel geweest of geheel zoo als het eerste. Nu is er een verschillende toon aangeslagen in beide deelen, zoo dat zij zonder genoegzame verbinding naast elkaar zijn komen te staan. De auteur is de dupe geworden van zijn virtuositeit. Hij heeft zich geleidelijk te veel laten gaan. De realiteit is hier volkomen opgeofferd. Hier staat de visie als iets heterogeens naast de realiteit van de eerste hoofdstukken.

In een zekeren zin is het verschil tusschen het eerste en het tweede gedeelte te groot. Wij hebben in het eerste gedeelte het zuivere realisme en in het tweede een volkomen impressionisme. Maar zoo als op een schilderij deze twee richtingen het doek zouden doen rammelen, zoo als men dat noemt, zoo doet deze dualiteit afbreuk aan de gaafheid van het werk. Men moet het echter nemen, zoo als het daar ligt, en dan straalt uit beide gedeelten veel treffende schoonheid.

Daar gelaten het gewettigde van den overgang van realiteit naar zuivere sensatie-visie, zou de roman veel hebben gewonnen, indien de visies van kleuren en veelvuldige vormen voor een groot gedeelte waren gereduceerd en tot meer vastheid waren gestold. Zoo zou de auteur den lezer niet hebben vermoeid door te veel varieteit van uiterlijkheden, uiterlijkheden, waar in de ziel van Mathilde zich als het ware oplost. Wij zouden dan de vrouw Mathilde meer intact hebben kunnen beleven als persoonlijkheid. De teekening van hare wegster-

[p. 125]

vende liefde wordt met groote virtuositeit gedaan. Het verhaal rekt zich hier uit met weinig treffende incidenten, zoo dat de stijl zich voortsleept zonder den lezer genoegzaam te boeien. Er blijft slechts de mogelijkheid eener bewondering voor den rijkdom dezer visioenen, doch zij eindigen met weg te sterven in vaagheid. Men moge zich in deze fantasmagoriëen verliezen, hier is de auteur het roer kwijt. De lezer verlangt naar het een of ander, waar aan hij zich kan vast houden, zoo als hij dat kon in de eerste hoofdstukken van het boek, want hij zoekt niet alleen mooie beschrijvingen, die de gronden der feitelijkheden missen.

Het is te betreuren, dat in eenige gedeelten, vooral in het midden, de stijl in den werkelijken zin overladen is. Dit is te betreuren, omdat ware dit te veel niet aanwezig, deze bladzijden oneindig zouden hebben gewonnen en stellig de mooiste roman uit de laatste vijftig jaar zouden hebben kunnen heeten. Nu zijn zij eene symfonie met een kort preludium overgaande in een chaos van wilde tonen, boven welken uit zich droomerige schalmeien nu en dan laten hooren met kalme bezonken verteedering. Hier is een kunstwerk van kleuren, een kunstwerk van geluiden. Het zijn geen zielelijnen, die hier worden geteekend, een warreling van sensaties stijgt uit dit boek naar de hoogte. Het is een stroom, die opborrelt en personen en karakters verslindt.

Ook zou men kunnen zeggen: Het is een prachtige lindelaan, waar van het begin handig besnoeid en geleid tot een dichte berceau is geworden, waar van het midden eene overwoekering met gapingen laat zien, terwijl het einde er van weer tot harmonische dichtheid is gegroeid. Ga door deze laan en gij zult er lange einden onder een schoon gewelfd bladerendak kunnen loopen: ‘Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had als “geluk”. Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel gevoeld, dat dàt het was, als Josef haar raakte, als Josef haar aankeek, met haar opgemaakte hoofd en haar kleeren overdag, en 's nachts als zij zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd later. Boven Josef's persoonlijkheid uit had zij wel van een anderen Josef gedroomd, die hij was, maar toch mooier dan hij, grooter dan hij, die haar heele wezen tot

[p. 126]

zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde.............................. de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon voorstellen, waar in haar mijmering haar had gezegd, dat Josef eens zou veranderen, hij zou nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den onverschilligen gang van het vale leven.’

In deze woorden ligt ook het verloop dezer liefde, zoo als de auteur ze zich heeft voorgesteld.

Doch de maatstaf der realiteit moet worden aangelegd in de structuur, niet alleen van het eerste gedeelte, zij moet ook kunnen worden waargenomen door alle fantasiëen van het tweede gedeelte. En zoo voel ik als een tekortkoming hier het ontbreken van de moederliefde en ook van de vaderliefde. De auteur heeft vooral de moederliefde prijsgegeven ter wille van de liefde tot den echtgenoot. Er is iets hinderlijks in, dat de moederliefde geheel op den achtergrond raakt. Wanneer iemand zou beweren, dat de moederliefde hier geheel verdwijnt in de liefde tot den man, dan had de auteur hier geen kind moeten laten geboren worden. Den lezer doet dit nu pijnlijk aan en hij zit er mee verlegen, te meer nog omdat Mathilde zeer gelukkig is in de afwachting van de geboorte van het kind. Maar wanneer het er eenmaal is, toont zij geen groote blijdschap, en liefde. Waar de auteur de moederliefde geeft, doet hij dit niet met het echte gevoel; het is niet de zuivere moederliefde, die uit deze woorden straalt. Mathilde denkt aan het kind en doet met hem, meer als een minnares dan als een moeder. Zij ziet uitsluitend de reproductie van haar man in het kind. Wel een bewijs, dat hier de geboorte van het kind beter niet hadde plaats gehad; wij zouden dan alleen met de huwelijksliefde in hare hoogste spanning hebben te doen, eene spanning niet uit complicaties met de buitenwereld ontstaan, maar uit het diepst van de innerlijke zieledrift. De auteur had dus niet dezen derde in het verhaal moeten invoegen en wanneer hij geen kind had laten geboren worden, dan ware dit een prachtig motief geweest om het verdriet over het nietkomen van een kind te begraven onder de groote triomfen der alom zegevierende echtelijke liefde.

Wanneer Mathilde zich wil froosten over de verdwijnende illusie van haren hartstocht voor Josef, gaat zij ook niet over

[p. 127]

tot een groote liefde voor haar kind. Het kind fungeert als het zooveelste nummer in de rij der bezigheden, die zij zal aangrijpen en waar van zij min of meer aangename dagvullingen verwacht, wanneer zij de groote liefde tot Josef zal hebben prijsgegeven.

‘Wat was er niet veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zou zij een mooie handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te zijn! Niet alleen zou ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zou b.v. ook voor arme kinderen kunnen naayen, zoo als andere dames deden. En dan, om het voornaamste niet te vergeten, wat zou zij veel meer moeite en oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt niet zoo als het hoorde. Verder, als zij dan ook weêr heelemaal gezond zou zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v. Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken.’

Omtrent den leeftijd van het kind komen enkele onnauwkeurigheden voor. De auteur laat het te vlug groot worden.

 

* * *

 

De in dezen roman voorkomende geslachtelijke sensaties hadden achterwege moeten worden gelaten of ten minste zoo diep worden bedolven, dat de neigingen van wellust niet te voelbaar aan de oppervlakte nu en dan kwamen te liggen. Ook Zola geeft onzedelijke dingen, doch hij zorgt er voor de hartstochten in mistige nevels te hullen. Het blootleggen van het geslachtelijke is dan ook hinderlijk. Sommige dingen worden beter niet bij den naam genoemd. Omdat zij hier te veel zijn uitgesproken, wordt de stemmigheid der sensatie er dikwijls aan opgeofferd. Wanneer het geheele boek vol nuchtere nuditeiten ware geweest, dan zou dit te krasse en gedurfde geen mistoon daar in voortbrengen. Nu wordt vaak het waas van het verhaal scherp uiteen gescheurd. De uitweidingen over het geslachtelijke dragen niet bij tot de voortreffelijkheid van een kunstwerk. Integendeel, zij vertroebelen dit vaak. Om slechts een paar namen te noemen: Virgilius en Dante zijn

[p. 128]

niet minder, omdat zij aan het geslachtelijke weinig of geen plaats hebben gegeven.

Men versta mij echter wel: Het boek is niet onzedelijk in zich zelf en wekt op geen enkele bladzijde den wellust in den lezer op. Deze constateert alleen, maar nergens wordt hij gedreven tot eenige lubrieke voorstelling. Daar waar de auteur vertelt, dat Josef boven op de kamer bij het dienstmeisje is geweest, geeft hij daar over geen enkele bizonderheid, maar zegt alleen, dat hij de trappen afkwam en dat Mathilde begreep, dat hij bij de meid was geweest. Dit moet worden erkend. Hoe veel er ook tegen de onzedelijkheid van dit boek is gezegd, wij moeten ons duidelijk maken wat daar door wordt verstaan. De onzedelijkheid in den roman ‘Een Liefde’ bestaat alleen in geconstateerde feitelijkheden, op zich zelf niet meer lubriek, dan de mededeelingen in een boek van anatomie of fysiologie. Dit is Van Deyssel's manier. Hij wischt het gevoel hier bij de geconstateerde feiten uit en geeft ze naakt als een curiosum. Doch zij hadden moeten worden weggelaten, omdat zij storend werken, zedelijk en esthetisch. Het is iets anders, wanneer zij staan in een roman of in een handboek. Ik weet niet of in de nieuwe uitgave van het boek veranderingen zijn aangebracht. Misschien is dit wel het geval. Mijne beschouwingen gaan alleen over eenige uitingen in den eersten druk.

 

Wat de te lange beschrijvingen aangaat, zij komen slechts hier en daar, sporadisch voor. In den tijd dat het boek verscheen, waren zij door het toen heerschende naturalisme weinig hinderlijk. Op het oogenblik zien wij duidelijker, dat de grenzen nu en dan zijn overschreden. Wij vragen ons af of eene voorstelling indruk kan maken of niet. De details bij de beschrijving van het brood op bladz. 41 kunnen niet anders doen dan de aandacht vermoeien:

‘Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een langwerpig versch brood, met aan den eenen kant een laag wit papperig kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende vlak der korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards afdalen van de korst, in een melk-chocola-kleurig bruin over, van daar in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart doorschemerd. Aan de eenen uithoek was ook weer het kruim zichtbaar,

[p. 129]

de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische vrouw.’

De auteur lijkt deze beschouwing meer te hebben gedaan om zijn virtuositeit te toonen, dan om den lezer aangenaam te zijn. En toch, op dit laatste komt het aan, want iemand schrijft eerder voor anderen dan voor zich zelf wanneer hij een verhaal doet. Zeer zeker, men kan voor zich zelven schrijven, maar dan moet het geheele werk anders zijn ingericht. In ‘Een Liefde’ is het vertellen de functie van den auteur en niet het memoreeren van eigen indrukken of eigen levensfeiten. Er zijn op het oogenblik menschen, die beschrijvingen als die van het brood in dezen roman onuitstaanbaar vinden. Zij is inderdaad zonder levenswarmte en zij staat niet in direct verband met de functie van het eten bij de personen van den roman. Wanneer zij dat deed, zou zij zeker nog uitvoeriger kunnen wezen. Maar er is hier geen apotheose van de heerlijkheid van het dagelijksch brood; die zou het innerlijk leven van het boek hebben vermeerderd. Deze beschrijving valt hier voor een groot gedeelte uit de lijst en zij krijgt iets doodsch en overtolligs.

Met de veranderingen van smaak in den loop der tijden, kunnen de excessen in de beschrijving zich niet handhaven, omdat zij schijnen om zich zelf te zijn gedaan. Er wordt meer verband en harmonie verlangd en alleen die voorstelling wordt toegelaten, die recht op het doel afgaat door dat iedere bizonderheid een feitelijke vermeerdering van leven mag heeten. Eene beschrijving, die accidenteel is, staat op zich zelf en verstoort de harmonie en den gang van het verhaal. Het is niet hare lengte zoo zeer, die hier den doorslag geeft van het al of niet toelaatbare, maar het is de indruk van het opzettelijke.

Doch hoeveel iemand zou kunnen zeggen over fouten en gebreken in dit boek, het blijft een der eerste romans, naar tijd en naar rang, van de moderne litteratuur. Er zit eene voornaamheid in, eene gevoeligheid, eene verrassende rijkdom, eene fijnheid van teekening van menschen en stadsgezichten, zoo als zij weinig in onze litteratuur worden aangetroffen. De auteur is daarenboven een keurig verteller en het is niet alleen een beschaafde mijnheer, die hier aan het woord is, maar een mensch van diep en delicaat gevoel. Wij krijgen door dit boek een kleurig, duidelijk en treffend tafereel van het Amster-

[p. 130]

damsche leven der deftige burgerij op het eind der negentiende eeuw. Velen onzer hebben dit leven gekend, in veel is dit veranderd op het oogenblik, doch iedere lezer, die deze toestanden heeft bijgewoond in de realiteit, zal ze gaarne nog eens voor zijn geest laten opkomen door het magistrale woord van den toen nog zeer jongen van Deyssel.

 

Frans Erens.