De Gids. Jaargang 95


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 95. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1931


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 430]

Bibliographie

Anthonie Donker, Fausten en faunen. Beschouwingen over boeken en menschen. N.V. Em. Querido's Uitgevers-Mij. 1930.

Maurits Uyldert heeft destijds over dit boek in het Algemeen Handelsblad een vrij ongunstige recensie geschreven, waarmee ik het over het algemeen niet eens ben. Een opmerking echter, van meer algemeene strekking, maakte deze criticus daarin, die mij uit het hart gegrepen is.

Het is deze waarin hij de vraag stelde - en ontkennend beantwoordde - of de uitgave van boeken als dat van Donker gerechtvaardigd is. Het is tegenwoordig, speciaal onder de jongere schrijvers, die bijna allen ook in kranten en tijdschriften kritieken schrijven, een rage, die kritieken later te bundelen. Wie die bundels koopen is mij een raadsel, maar het schijnt gedaan te worden: ik kan immers niet aannemen, dat zooveel uitgevers zoo hardnekkig hun hoofden in stroppen zouden steken. Ik wil niet ontkennen, dat die artikelen dikwijls goed, vaak zelfs uitmuntend zijn - dit is bij het onderhavige boek trouwens ook weer het geval. Maar een verzameling goede kritieken, die in een krant of tijdschrift volkomen op hun plaats waren, vormt naar mijn meening nog geen goed boek met essays. Een der voornaamste eigenschappen, waaraan die kritieken hun belang ontleenden, was immers juist het ephemere ervan en die gaat bij bundeling te loor.

In het algemeen behoort de toch altijd min of meer journalistieke dagweek- of maandbladkritiek niet langer dan een dag, een week of een maand te leven. Daarna overleeft zij zich. Wil litteraire kritiek het herdrukken waard zijn, dan moet zij aan drie eischen voldoen. Zij moet in de eerste plaats de uiting zijn van een belangrijken geest, in de tweede plaats betrekking hebben op belangrijke figuren, of op onbelangrijke, maar waaraan door de wanen van den dag een bijzonder belang wordt gehecht (deze twee vereischten gelden ook voor de journalistieke kritiek, hoewel minder absoluut), maar in de derde plaats moet zij in haar opzet een zeker element van duur in zich hebben (hetgeen niet altijd met lengte behoeft samen te vallen), een zekere vooruit-gewilde gedegenheid; moet zij als het ware met het voorop gestelde doel geschreven zijn, gebundeld te worden. Een verzameling krantenstukjes, hoe goed ook, ik herhaal het, vormt nog geen bundel werkelijke studies.

Laat ik overigens dit, hoezeer ernstige, bezwaar ter zijde en beschouw ik Fausten en faunen dus niet zoozeer als een boek (aan de bovengestelde derde eisch voldoen eigenlijk alleen de eerste drie artikelen) dan wel als een verzameling losse, ephemere stukjes, dan heb ik er, den wat gezochten titel daargelaten, vrijwel niets dan lof voor. Onder alle jongere, ook kritizeerende, schrijvers is Donker misschien wel de beste. Deze vage lof

[p. 431]

vereischt eenige omschrijving, waartoe allereerst de vraag behoort te worden beantwoord, wat goede litteraire kritiek is. Ik zou deze zoo willen beantwoorden: goede kritiek is juiste kritiek. Deze verduidelijking schijnt niet veel duidelijker te maken: het begrip juist is n.l. niet veel begrensder als het begrip goed, en moet dus ook weer nader omschreven worden.

Een der bekendste en, in zijn toepassing althans meest onjuiste, spreekwoorden is: Over smaak valt niet te twisten. Letterlijk genomen zou het kunnen beteekenen: het geeft toch niets of men over kwesties van smaak twist of niet. Dat is juist. Ook zou het ongeveer hetzelfde kunnen beteekenen als: Jedes Tierchen sein Pläsierchen. Ook daarvoor valt veel te zeggen. Ons spreekwoord echter beteekent, in de praktijk althans: De eene meening heeft op zichzelf precies even veel recht als de andere. Dit nu is niet minder dan een enormiteit, hetgeen onder meer hierdoor bewezen wordt, dat zij, die zich, in zaken waarvan zij geen verstand hebben, op dien regel beroepen, de eersten zullen zijn om hem te ontkennen op gebieden, waarop zij wel ter zake kundig zijn. En terecht. Zoodra men van iets iets afweet, weet men ook of een ander er eveneens iets, of niets, van afweet. Dat is nooit te bewijzen (vandaar, dat men wel kan zeggen dat over smaak te twisten niets geeft), maar het is daarom niet minder juist. En dit geldt voor alle gebieden, volstrekt niet alleen voor de kunst. Het is ondoenlijk, een criterium te geven van bevoegdheid en onbevoegdheid, maar daarom mag men niet zeggen, dat er geen bevoegden en geen onbevoegden zijn. Atijd zijn er op alle gebieden kleine groepen geweest, die het wisten en van elkaar wisten, dat zij het wisten, tegenover vooze massa's, die het dachten of pretendeerden te weten. Als men een kritiek van Donker gelezen heeft, heeft men het te zeldzame gevoel - ik had het onlangs weer bij het lezen van de Essais Critiques van Marcel Arland - van: zoo is het. Natuurlijk kunnen er kleine verschillen van meening zijn (gelukkig ook maar!), doch deze betreffen nooit essentieele dingen. Er zijn ongetwijfeld onder de jongeren critici, die expressiever schrijven of aan eenzijdigheid (in den goeden zin des woords) een grooter felheid ontleenen. Ik weet er geen, in ons land ten minste, op wiens oordeel ik eerder ‘ongezien’ af zou gaan.

J.C. Bloem

Dr. Jan Walch, Boeken, die men niet meer leest. W.J. Thieme & Cie. Zutphen. 1930.

Er is een zekere partijdigheid, die een positieve deugd is, omdat in sommige gevallen onpartijdigheid onrechtvaardigheid is. Tegenover een boek als dit van dr. Walch mag men, naar mijn meening, niet onpartijdig staan, maar men moet beginnen den schrijver, om diens intentie alleen al, zijn sympathie te schenken. Ieder, die de bekoring der oude boeken kent, die zich met het verleden verbonden weet, die beseft, hoe weinig wat thans zoo druk bekakeld wordt beteekent tegenover het groote wat al eeuwen of decenniën bestaat, kan alleen hopen, dat de ‘zeer vage belofte’ op een vervolg dezer serie artikelen, die de auteur in zijn woord vooraf geeft, verwezenlijkt moge worden.

Een boek als dit - een herdruk van krantenfeuilletons - leent zich niet voor uitvoerige détailkritiek. Slechts twee opmerkingen zou ik willen

[p. 432]

maken: een algemeene en een bijzondere. De eerste is, dat het, vooral voor een krantenpubliek, voortreffelijk is, niet te zwaar te schrijven, maar dat men daarom volstrekt nog niet altijd grappig - hetgeen in de praktijk op den duur te vaak neerkomt op gewild-grappig - behoeft te zijn. De tweede betreft het stuk over den Opium-eater. Ik wil volledig rekening houden met den aard van het boek van dr. Walch en met de fouten van De Quincey, maar dan nog vind ik het onbegrijpelijk, dat een man van smaak, als de heer Walch blijkt te zijn, zoo kan schrijven over een der grootste schrijvers (dit aantal tot een stuk of vijf beperkt), die er ooit geweest zijn. Moge hij in een tweede druk, die ik hem van harte toewensch, er dan ook toe komen, althans dit veertiende hoofdstuk van zijn boek grondig te herzien.

J.C.B.

L.H. van Lennep, De sycomore bij den vijver. Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon.

De Heer van Lennep, die eenige jaren geleden onder den titel: ‘Chnumhotep, De schatbewaarder’ een vertelling uit het oude Egypte heeft uitgegeven, verrast ons thans met een nieuw verhaal: ‘De sycomore bij den vijver.’ Als tooneel voor het eerste had hij Boven-Egypte gekozen; in zijn tweede boek voert hij den lezer naar de streken bij de oase Fayûm, toen een groot meer, waarbij de nieuwe stad werd gebouwd van den koning Sesostris. Beide vertellingen spelen in den tijd van het Middenrijk. Dit kan geen verwondering wekken. Want de Egyptische litteratuur, die wij over hebben, stamt voor het grootste deel uit die eeuwen; en den eenvoudigen mensch kennen wij het best uit die tijden.

De schrijver heeft zich de uitdrukkingswijze van den Egyptenaar zoo voortreffelijk eigen gemaakt, dat de lezer somtijds meenen kan een echte oud-Egyptische vertelling voor zich te hebben. Den slependen langgerekten stijl van spreuken en vermaningen, gewichtig en ouderwetsch, heeft hij overgenomen. De personen, die hij laat optreden, denken, spreken en handelen alle in den ietwat zwaarwichtigen trant, die den menschen uit het Middenrijk blijkbaar eigen was; en ook de zwaarmoedigheid, die wij uit hun afbeeldingen en gezegden kennen, is in hun uitdrukkingen te bespeuren.

Het gegeven is, gelijk het bij een Egyptische vertelling behoort, eenvoudig. Een jonge man, Ptahmes, is door zijn ouders in de leer gedaan bij een hoog beambte, Antef, om door dezen tot zijn beroep, het meest eervolle, te worden opgeleid. Op een van Antefs dienstreizen ontmoet Ptàhmes een jong meisje, Nefrit, de Schoone, en naar de wet van de vertellingen van alle tijden en alle landen wordt hij bij haar aanblik op haar verliefd. Een, op zich zelf ongunstig, toeval komt hem te hulp. De slaven, bij den bouw der stad te werk gesteld, dreigen in opstand te komen. Hun leider, in audientie bij Antef ontvangen, zou op den terugweg naar het slavenkamp in een hinderlaag gevallen zijn, indien niet Ptahmes hem had gewaarschuwd. Nu kan de leider vluchten, na zijn redder een amulet te hebben geschonken, dat hem te pas kan komen, als hem ooit gevaar mocht dreigen.

Maar Ptahmes zelf is bij zijn ridderlijke daad gewond. Waar zou hij

[p. 433]

beter verpleging vinden dan in het huis van de moeder zijner geliefde? Hier doorleeft hij zijn schoonsten tijd, als ook het meisje hem haar genegenheid schenkt.

Op dit punt zou een moderne novelle kunnen eindigen, maar een Egyptische niet. Dus laat de schrijver een droevig slot op deze idylle volgen: Nefrit wordt door booze intriges Ptahmes ontrukt, en hij zelf moet vluchten over het groote groene water naar het roode land, waar hij den leider der opstandelingen hoopt te vinden, die hem wellicht, ondanks zijn rouw om de schoone, tot een nieuw leven zal voeren.

Men moet Egyptische litteratuur kennen om volledig te kunnen waardeeren, op hoe kunstige wijze de Heer van Lennep dit eenvoudig verhaal heeft versierd met de schoonste fragmenten uit de ons gebleven Egyptische vertellingen en wijsheidsleer. Telkens weer begroet men met vreugde spreuken of motieven, daaraan ontleend; en altijd passen deze in het verband, en kleuren het geheel met een Egyptisch coloriet, dat de herinnering aan wondere tijden wakker roept.

Wie van Egypte houdt, verheugt zich in deze vertelling. Het zal hem bij het lezen zijn, alsof hij even in het land vertoeft, in de lichte vreugde en den statigen ernst, die over dit boekje gespreid ligt als over de beschaving van het oude Nijldal.

 

Amsterdam.

D. Cohen

Kees van Bruggen, De droge koetjes of de levensavond buiten. C.A.J. van Dishoeck N.V. Bussum 1931.

Dit relaas dat in zes en dertig hoofdstukjes de teleurstellingen verhaalt die de z.g. ‘levensavond buiten’ aan een braaf echtpaar bereidt, is, zoo ik mij niet vergis, stukje voor stukje wekelijks in een courant verschenen, waarmee dan meteen aan het licht komt, dat het zeer verkeerd gezien is, om dergelijke stukjes, die berekend zijn het publiek in een courant onder al het andere, een oogenblik te vermaken, in een bundel, als een aaneengeschakeld verhaal, te doen verschijnen. Als ‘boek’, dat verondersteld wordt, achter elkaar gelezen te worden, ‘doen’ deze los aan elkaar hangende stukjes het heelemaal niet, en - waren ze als wekelijksch grapje nog in staat ons zoo nu en dan te doen glimlachen - in een opeenvolging van zes en dertig stuks, verstijft de glimlach op ons gezicht en aan het eind blijft er niet anders als een wrevelig gevoel over voor den auteur van zóóveel humoristische situaties en grappige beschrijvingen. Daarbij komt nog dat de grappigheid grootendeels wordt bereikt door een soort van deftigen stijl, stadhuiswoorden, en een druk gebruik van de z.g. onverwachte tegenstellingen, die misschien een oogenblik komisch aandoen, maar dan hun effect al spoedig verliezen. Zoo b.v. de titel van het eerste stukje. ‘Van de cul- en de natuur’ en om nog een voorbeeld te geven een klein citaatje, zoo maar voor de hand weg, uit een van de stukjes gelicht, waar ‘Mijnheer’ zich verdiept in het onwaarschijnlijke geval dat er vroeger, op ‘kantoor’ een dag zonder post ware geweest, zooals nu zoo dikwijls voorkomt.

‘Er is geen post, mijnheer!’

‘Geen....

[p. 434]

‘En ook Jelgersma zou verdelgd hebben gestaan, men kan niet verdelgder staan, wanneer plotseling uit het Damplantsoentje een vuurspuwende berg gerezen komt, een Merapi, die kijkt rond en spuwt naar alle kanten en dempt het restje Rokin en zet de Bijenkorf recht-overeind dat de zaken gapen en heel het midden van Amsterdam schudt zich als een poedel, zoodat de heipalen van het trotsche stadhuis hun carieus gebit ontblooten, gelijk de ontvleesde laars van Charley Chaplin. “Geen post” op het kantoor ware zulk een rare ramp geweest, rampen, die zich niet voordoen, want de post, een slechte gewoonte, gaat onverdroten door, haar baggermolens storten regelmatig brieven uit en de achtelooze hand des handelsmans graait in het bakje zooals de koeientong het gras scheert....’ enz. enz.

Waren nu nog de hoofdpersonen goed getypeerd en niet naar het afgesleten cliché vervaardigd van ‘mijnheer’ die voor een oortje thuis ligt, en ‘mevrouw’ die de scepter zwaait, en waren ze even scherp en raak geteekend als Hildebrand's Pieter Stastok of als de oude heer Kegge, dan was het boekje nog eenigszins te genieten. Het herinnert er ons nu slechts aan dat de camera ook tegenwoordig nog vele bewonderaars heeft.

Een enkel stukje zooals dat van ‘Het witte paard’ en ‘Herfst’ zijn iets beter. Maar de slotsom na de lectuur van dit boekje is, dat eén droog koetje nog genietbaar kan zijn, maar dat een heele kudde van die dieren uit den booze is.

N.B.