|
|
|
| |
| | | |
Verzen
Vrouwenportret
(naar M. van Heemskerck)
Schuin staan de oogen in het blond gelaat,
Dat over blonder krullen ondergaat
In een gebarsten achtergrond. Daar zweven
Nog wat dunne haren verder. De mond
Is bruin, en rijp gesloten; en er streven
Twee jukbeenderen buiten 't wangenrond.
Het lichaam, hoog en donker uitgemeten,
Wordt lichter pas, waar aan een gouden keten
Het kruisbeeld zich tusschen twee vingers plaatst,
Vol van juweelen, - alsof 'n spiegeling
In haar fluweelen schoot 't gelaat weerkaatst,
En dan in harde, blonde stukken springt.
| | | |
De moeder
Niets had zij begrepen van zijn klacht,
Toen hij voor 't eerst verliet eenzelvig droomen
En aan kwam tasten in een fluisternacht.
Hij wilde stil en troostziek in haar stroomen,
Terugbuigend als stuwend water naar de
Bron, die rustig spiegelende vergaarde
Wat beeld en neerslag haar te binnen bracht. -
En toen zij slaap'rig opzag, en maar streelde,
Gesloten bleef voor het onuitgebeelde,
't Vervloekt verzwegene, dat hem besprongen
Was in het stroomgebied van háár gelijken:
Toen gleed hij weg, en nam een nieuw besluit,
En jaren knelde haar het harte uit
De zoon, dor sijpelende, afgedrongen,
En steenig-smal, haar vrede te ontwijken.
| | | |
De voorganger
Vaak denk ik dat ik aan hem, die vóór mij
Haar hart bezat, 't weer af had kunnen dragen
Toen 't mij een last geworden was,.... bevrijd
Van wat als tusschenspel tòch niet kon slagen.
Nooit zag of kende 'k hem, maar 'k zou 't hem vragen
Als een, die in een estafettenrij
Rennend beroofd is, maar niet is verslágen,
Daar 't zelfde einddoel geldt voor allebei.
Ik weet alleen die avondwandelingen
Met haar, waarvan zij angstig aarz'lend sprak.
Haast werden zij van òns: herinneringen
Half, die men nooit loochende of verbrak,
En half een waarborg voor het zoet gemak
Waarmee hij op zijn beurt mij zou verdringen.
|
|
|