De Gids. Jaargang 100


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 100. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1936


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 263]

Beredeneerde lijst van Gidsredacteuren
1837-1936

E.J. Potgieter, geb. 1808, overl. 1875 ........ 1837-1865

Geb. te Zwolle, 1821 naar Amsterdam bij zijne tante van Ulsen om bij dezer vriendin van Hengel in den lederhandel te worden opgeleid; Mej. van Hengel vereenigde zich later met een deelhebber (W.G. van der Meulen) tot het drijven van een suikerhandel; zij zou zich als vertegenwoordigster te Antwerpen vestigen en nam Potgieter daarheen mede (1827); vriendschap met Jan Frans Willems; in November 1830 naar Amsterdam terug en (behoudens eene zakenreis in 1831 naar Zweden) daar voortaan gevestigd gebleven als agent van buitenlandsche huizen. - Ongehuwd. - Werkt in 1834 mede aan De Muzen; richt in 1837 De Gids op, aanvankelijk zonder Bakhuizen van den Brink, die echter reeds tot den eersten jaargang bijdraagt en in 1838 mederedacteur wordt. Behalve Bakhuizen (van wien hij zich in 1843 tijdelijk verwijderde) zijn na verloop van tijd zijn liefste medewerkers geworden Gerrit de Clercq en Busken Huet. - In de Persoonlijke Herinneringen, waarin Huet zijn dank aan Potgieter betaalde, komt deze karakterschets voor:

‘In brieven heb ik hem nooit “amice”, altijd “waarde vriend”, in gesprekken nooit “Potgieter”, altijd “meneer” genoemd.... In mij kwam het niet op, mij als zijn gelijke te beschouwen.... Sedert ik Potgieter leerde kennen, ben ik genezen van den waan, dat er alleen aan hooge scholen hooger onderwijs te bekomen is.... Er school in hem vormende kracht.
Potgieter's voorkomen was omstreeks 1860 zooals het ten einde toe gebleven is.... “Toch maar een burgerman!” zeide hij korten tijd vóór zijn dood, bij het werpen van een blik op zijn eigen portret vóór het tweede deel zijner Poëzij.... De uitdrukking “burgerman”, in den zin dien onze tijd daaraan hecht, geeft eene geheel verkeerde voorstelling. Potgieter was een Hollandsch-Vlaamsche gilde-hoofdmanstype

[p. 264]

uit de 16de of 17de eeuw. Wanneer men hem een vertrek zag binnentreden, en het licht op zijn fraaijen kop viel, dan was het of uit de lijst van een Schuttersmaaltijd een aanvoerder naar voren stapte.
Veeleischend redakteur, was het zijns inziens niet genoeg, dat er in voldoende mate stukken inkwamen om het tijdschrift te vullen. Waren de stukken degelijk van inhoud, maar gebrekkig van vorm, dan wilde hij dat de redaktie, in overleg met den auteur of op eigen hand, ze omwerkte. Bleken zij onbruikbaar, dan moest de redaktie zelve, meende hij, andere en betere stukken leveren.... Hij verstond niet dat op den duur van dien regel werd afgeweken.
Hij beminde de letteren met ziel en zinnen; maar hoe hoog hij de kunst stelde, een onafhankelijk burger ging bij hem boven een gevierd literator.... Zijn hoogsten wensch had hij vervuld gezien door het wortelschieten van den Gids.... Hij stelde er eene eer in, al den tijd dien zijne handelsbezigheden hem lieten, even belangloos als onbezorgd aan zijn redaktiewerk te geven.... Verdiend of onverdiend, ik was in zijne oogen zijne eigen tweede jeugd.... Hij scheidde van een maandwerk, dat hij, ofschoon het zijn eigen zoon was, niet kon blijven liefhebben, omdat de zoon niet kon of niet wilde wandelen in de wegen van zijnen vader.’

Een levendige indruk van Potgieter heeft ook Quack behouden (Herinneringen, 1913, doch geschreven in 1907):

‘Wie kwam, terwijl ik zóó mijmerend liep1), dikwijls mij achterop? Potgieter;.... hoe boeide mij die toen 53-jarige man, beurtelings mij aantrekkend en dan weer voor een poos mij afstootend! Was er één, die het Amsterdam der zeventiende eeuw lief had en in gesprek of geschrift ten voorbeeld stelde, dan was hij die man. Was er één, die in Amsterdam de sleur van het hedendaagsche leven, de benepenheid, bekrompenheid, enghartigheid eener zich behagelijk koesterende maatschappij als met geeselslagen striemde, uitvoer tegen het zoogenaamd fatsoen, de quasi-deftigheid, bezadigdheid, bedachtzaamheid, die niets uitvoert, tot niets leidt, niemand baat, dan was het deze criticus. Was er één, die fier van geest en gemoed, te midden van den neêrdrukkenden mist welke Holland omgaf, dwars door de nevelen heen den lichtstraal in de hoogte speurde, om straks uit dien luister een bezieling voor de besten uit 't volk op te vangen,.... dan was hij die dichter.... Diezelfde man was tegelijk een doodgewoon, druk bezig koopman in de stad, die, door zijn zaakkennis en arbeid, zich een financieel onafhankelijke positie wist te bereiden.... Daarbij kwam zekere grilligheid in al zijn uitingen, een hak-op-den-tak springen van zijn “causerie”, een voortdurend vragen en antwoorden terzelfder tijd.... Men raakte als uit de voegen. Zijn omgang maakte, ja, zijn jongere vrienden wakker, doch sloeg hen ook telkens neder. Elke dialoog met hem was een soort van worsteling....
Eens op een dag vroeg hij mij, of ik voor De Gids maandelijks “Politieke Overzichten” over den gang der buitenlandsche staatkunde kon leveren.... Ik mocht mij niet bemoeien met de binnenlandsche

[p. 265]

politiek, die het terrein was voor van Limburg Brouwer, evenmin met de ontwikkeling der economische verschijnselen die door P.N. Muller zou worden gevolgd.... Ik leverde in November 1861 mijn eerste opstel.... Toen het jaar 1862 aanbrak verzocht hij mij de maandelijksche vergaderingen der Redactie bij te wonen; later benoemde hij, in overleg met zijn mede-redacteuren, mij in December van dat jaar 1862 tot lid der Redactie van “De Gids”... Het waren avond-vergaderingen op den eersten Woensdag der maand. Daarbinnen, op den Olymp, zooals de Braga zeide, was de toon ongedwongen tot luidruchtigheid toe.... Al de oude redacteuren, de heeren Schimmel, Veth, Zimmerman, Muller, Schneevoogt, voegden zich in dien toon....
Potgieter was op den Woensdagavond in volle actie en bezieling. Hij gaf aan ieder wenken, schertste of vermaande, knorde of prees, en was de bewegelijkheid zelve. Geen onzer werd gespaard, wanneer wij ons onttrekken wilden aan wat hij meende dat onze taak was.... Tegenspraak op zijn Gids-avond kon hij moeilijk verdragen. Toch hadden wel enkelen bezwaren. Ik spreek nu niet van de twee latere jaren, toen hij eigenlijk alleen met Busken Huet te rade ging, maar in de jaren 1861 en 1862 openbaarde zich wel eens verschil.... Hij was altijd subjectief, gelijk hij ook in zijn proza steeds zich-zelf als vóór den lezer inschoof.... Het was alsof hij den lezer niet toestond hem, Potgieter, te vergeten.... Het publiek moest voelen dat hij zijn verzen grifte als in weerbarstig schelp-koraal.... Hij spande de geestelijke actie van ieder onzer in de door hem gewilde richting zoo strak mogelijk, hij wilde ieders kracht op één punt als verdubbelen, en het resultaat was dan soms een overspanning die niets uitwerkte. Op harmonische ontwikkeling van allerlei aanleg bij anderen werd door hem schijnbaar geen prijs gesteld. Trouwens de geheele vervorming van De Gids tot een op Engelsche leest geschoeid tijdschrift was hem nooit geheel naar den zin. Hij wilde dat de literaire kritiek de hoofdzaak, ja de eenige taak zou zijn. Vandaar dat een groot talent als dat van Robert Fruin bij hem zelfs geen waardeering ondervond. Ik zwijg van zijn oordeel en miskenning over Buys, in wien hij later 't type van den conservatieven oud-liberaal meende te zien: terwijl hij toch zelf, op zijn beurt, haast geen oog had voor de aan de kim opkomende sociale golving die allengs begon aan te zwellen. Enkelen onzer zagen wel de gebreken van zijn groote eigenschappen, merkten op, dat ook hem zelfs op het hooger gebied der kunst iets ontging: zooals hij geen oor had voor de muziek der eerste meesters: zooals hij den voorrang boven Rembrandt's Nachtwacht gaf aan van der Helst's Schuttersmaaltijd: zooals hij liefst zoogenaamde gedachten of voorstellingen in schilderijen zocht, een Ary Scheffer vereerde en de latere kunst van Jozef Israëls niet wilde begrijpen. Maar dit alles werd slechts uiterst schoorvoetend door ons opgemerkt in het jaar 1862 en 1863. Voorshands hadden wij slechts oogen voor zijn bezielende kracht.... Zeker er was in zijn schrijven manier, maar allereerst stijl. In geheel zijn wezen.’

W.H. de Beaufort schrijft in zijn ‘Potgieter en Busken Huet’:1)

[p. 266]

‘Potgieter was een trouw zoon van zijn land, maar in dat land was de hoofdstad hem boven alles dierbaar.... Het verleden van Amsterdam had hij lief, met de eerbiedige vereering van een zoon voor zijne moeder; het heden met de onbevangenheid van van Alphens nooit verschoonenden vriend.... Zooals hij Amsterdam behandelde, deed hij het ook zijne vrienden.... Zijn loopbaan is rijk geweest aan verwijderingen.... Toen Beets, naar zijne meening, te ver afzeilde in piëtistische wateren, verweet hij hem dit zoo nadrukkelijk dat beide dichters voortaan naast elkander voortleefden als hadden zij elkander nooit gekend....
Potgieter liet zich geheel beheerschen door indrukken.... De gave om die verschillende indrukken samen te smelten ontbrak hem.... Zijn “Florence” en zijn “Gedroomd paardrijden” zouden hebben kunnen worden voortgezet of afgebroken zonder daardoor te hebben geleden. “Twee Zusters” vormen den breeden opzet van een romantisch verhaal waarvan de draad wordt afgesneden midden in de handeling...
Zijn afkeer van predikanten was groot; hij gold allen, rechtzinnigen en vrijzinnigen.... Hij zag in den predikant een onnatuurlijk en gemaakt bestanddeel der maatschappij.... In zijn lateren leeftijd zag hij een geheel ander slag van predikanten opkomen, maar met dezen kon hij het even slecht vinden. In de moderne leeraars stuitte het hem dat zij met één voet in de kerk bleven staan, terwijl hun streven zich buiten en zelfs tegen de kerk bewoog.... In het algemeen kon hij het overwicht van de gegradueerden in de Nederlandsche maatschappij niet goed zetten.... Aan Huet schreef hij1), dat de Utrechtsche hoogleeraren op hem den indruk hadden gemaakt van “bibberende, dommelige uilen”.... In 1868 is hem de bewering ontvallen2), dat Fruin geen grootheid was waarmede Groen van Prinsterer behoefde te rekenen.’

B. ter Haar Bz., oud-Gidsredacteur, haalt in een brief aan Quack (23 October 1877) van zijne betrekking met Potgieter op:3)

‘De aanleiding tot mijn aftreden was het besluit der redactie om de namen der redacteuren publiek te maken4); iets waartegen ik, predikant zijnde, bezwaar had, daar ik toen juist ervaringen had opgedaan, dat men mij in de Amsterdamsche gemeente mijne bellettristische en poëtische bedrijvigheid, als niet tot mijn werkkring behoorende, als een halsmisdaad aanrekende. Dit werd mij echter door Potgieter hoogst euvel geduid, en dat ik mij kort daarna verleiden liet het lidmaatschap der tweede klasse van het Kon. Instituut aan te nemen, kon hij mij nog veel minder vergeven.... De eenzijdigheid van zijn oordeel over vele personen en zaken bracht tusschen ons menige botsing te weeg. Hij had scherp geprononceerde sympathieën en antipathieën, en hoe lichtelijk hij van de eene tot de andere kon overgaan, heb ik ondervonden.’

[p. 267]

Adriaan Gildemeester vertelt:

‘Potgieter was “agent”, dat is vertegenwoordiger van buitenlandsche handelshuizen, en zoo ook o.a. van een firma in Cefalonia en van een in Zante, aan welke firma's hij orders op gedroogde vruchten, als vijgen, rozijnen en krenten bezorgde. Ik bracht eens een bezoek ten kantore van de heeren Meulman en Uhlenbroek, twee oude, echte bourgeois, rijke burgerheertjes, oude handelsvrienden van Potgieter. Toen ik eens aan Potgieter vroeg, of hij met die heeren Meulman en Uhlenbroek wel eens over litterarische zaken sprak, lachte hij en zeide: “ik geloof niet dat ze weten dat er zoo iets als ketterkunde of verzen of Gids in de wereld is, - laat staan of ik er iets aan doe.” Toch kwam hij sedert twintig jaar trouw aan hun kantoor, en had hun veel vijgen enz. verkocht. Terwijl ik met den heer Uhlenbroek over katoen sprak (ik was makelaar in katoen), komt Potgieter binnen, en wordt door Meulman ontvangen met de woorden: “zoo Potje bèn jij daar, dat is goed; vertel jij me reis wat je van deze krentjes denkt.” En meteen overhandigde hij den dichter-kritikus een zakje met krenten. Potgieter goot doodernstig een gedeelte van den inhoud op zijn hand uit, ging bij 't raam, en bekeek ze met aandacht. “Nou Potje, wat vin je der van?” waarop Potgieter met een geleerd gezicht, waarop geen zweem van humor of ironie te zien was, zijn opinie over die krenten uitte’1).

Maar zien wij, na deze beschouwingen van anderen, hoe Potgieter zich zelf heeft geteekend, toen hij, uit den vreemde, aan Bakhuizen van den Brink meldde: ‘O die avonden, waarin gij mij zonder eenige terughouding over alles wat ik schreef uw gevoelen mededeeldet, - zij zullen nooit wederkeeren!’2) Dit is niet de Potgieter-God maar Potgieter als vriend. Hoe heeft hij ook niet Huet aangehangen, van wien hij schier het onmogelijke verdroeg: ‘Ik neem het u niet kwalijk, dat ge voor mij een geheim hebt gemaakt uwer onderhandelingen met Hasselman; - school echter in de behoefte die gij gevoeldet dit te verhelen, niet een wenk dat de zaak au fond minder pluis was? Verbazen doet het mij, dat gij u compromitteerdet door de aannemoling d'un cadeau funeste. Het zou onedelmoedig van mij zijn, bitter als gij er voor boet, hier verwijtingen over te doen.... het eenige wat den vriend overblijft is te beproeven in hoever hij behulpzaam zijn kan u uit den doolhof uwer eigen meeningen vrij te maken.’3) - ‘Gij zult kracht genoeg hebben U op te heffen, vlei ik mij’4).

[p. 268]

En bijna zijn laatste werk is geweest het Leven van Bakhuizen van den Brink te schrijven, dat van niets blijk geeft dan van aanhankelijkheid. ‘Jagende naar objectiviteit,’ zegt Zimmerman1), ‘is Potgieter een der meest subjectieve schrijvers die ik ken.... Spreken niet al zijne vrienden zooals hij?.... Acht gij het mogelijk, dat ieder woord zoo diepen zin bevatte als de auteur er aan toekent? Ze zijn slechts gepoëtiseerd.... Een aesthetische fout is het gemis aan placide rust.... Wat de biographie als kunstwerk schaadt, gedijt der kennis van Potgieter's persoonlijkheid en geest ten goede.... Mijn voorliefde voor den levensbeschrijver is grooter dan voor den man, wiens leven beschreven wordt.’

 

C.P.E. Robidé van der Aa, geb. 1791,overl. 1851... 1837-1838

Studeert te Leiden; advocaat; een onschadelijk dichter die te Arnhem woonde.

 

R.C. Bakhuizen van den Brink, geb. 1810, overl. 1865........................ 1838-1843

Voor de theologie bestemd, aan het Amsterdamsch athenaeum en vervolgens te Leiden, 1831-'34, in velerlei studeerende, te Amsterdam (waarheen hij terugkeerde) medewerker aan De Muzen eerst, vervolgens (met Potgieter) aan De Gids; onderwijl 1 Juli 1842 als classicus gepromoveerd te Leiden. Het trof toen dat het vak der wijsbegeerte te Leiden openkwam (in 1843); Bake spoorde hem aan zich door voorlezingen daartoe te habiliteeren; Fruin, toen jong student, was onder de toehoorders: ‘over zijn breed gelaat, dat aan oud-vaderlandsche zeehelden en het meest aan Kortenaer herinnerde, vielen de lange sluike haren bij elke beweging af. Op slependen preektoon een stroom van woorden, over onderwerpen waarvan wij nooit hadden gehoord en ook niets begrepen. De proef was geheel mislukt’2).

Intusschen had van den Brink aan De Gids bijdragen geschonken, die hem (het woord is van Kernkamp3) kenmerkten als historicus-in-den-dop: ‘Roskam en Rommelpot’ bijvoorbeeld. Toen hij in October 1843 voor schuldeischers overhaast

[p. 269]

het land moest ruimen, en geen klassieke auteurs (die hij nog bij voorkeur las) had kunnen medenemen, interesseerden hem te Luik (waarheen hij gevlucht was) historische bijzonderheden betreffende den veldtocht van Willem van Oranje in 1568 in zulke mate, dat hij besloot zijn leven aan de studie der Nederlandsche geschiedenis der 16e eeuw te wijden; de eerste vrucht (die De Gids ten goede kwam) was ‘Andries Bourlette’. Op reizen naar Brussel en naar Weenen bekwaamde hij zich verder. Eindelijk werd het hem door goede vrienden mogelijk gemaakt naar Holland terug te keeren: 6 Jan. 1851 werd een acoord met zijn schuldeischers door de Amsterdamsche rechtbank gehomologeerd. Thorbecke verklaarde zich bereid hem te benoemen aan het Rijksarchief (22 Juni 1851); nog in ondergeschikte betrekking, maar in 1854 werd hij Rijksarchivaris.

In November 1841 had hij zich met Truitje Toussaint verloofd. Deze schreef toen aan haar vriend Willem de Clercq (30 Nov. 1841): ‘Hij is geheel tot een nieuw leven opgewekt. Zoo zal de liefde een man als deze nog gered hebben voor het vaderland, voor de letteren - waar niet voor? Kent men de wegen Gods?.... Uw elegante oudste zoon1) zal zeker meer ophebben met den geest van mijn vriend dan met zijn uiterlijk.’2) - En, tenzelven dage, aan Mevrouw de Clercq: ‘Nu komt een man tot mij (zij had reeds, in Augustus 1841, een - onbeantwoorde - liefde voor Hasebroek opgevat) die met de innigste teederheid aan mij gehecht is, die van geest, gevoel, kennis, alle voorwaarden in zich bevat waarop ik wensch lief te hebben en weder bemind te zijn. Die man die het sieraad kon zijn van ons land, kan ik opheffen uit zijne lethargie door hem gelukkig te maken, en zou ik daarin dan aarzelen, na mij zelve ernstig onzerzocht te hebben en gevoeld dat ik alles voor hem zal kunnen zijn wat hij mag wenschen!.... Met van den Brink denk ik geheel eenstemmig op het punt van poësie en kunst, en in zielen als de onze waar die beiden zulk een groot deel van het hart innemen, zijn die sympathieën volstrekt vereischte voor een zoo naauwe verbintenis.’3) Maar wanneer de slag is gevallen: ‘Dat ik handel zooals ik doe (door de verloving niet te verbreken) is in de oogen der wereld

[p. 270]

welligt onverantwoordelijk. Maar ik handel dus omdat ik het pligt geloof, omdat de liefde onvergankelijk is en sterk genoeg om te vergeven, omdat ik den innerlijken van den Brink ken en apprecieer met onderscheiding van zwakheden en dwalingen, omdat zijn hart het mijne is geweest en gebleven, omdat hij zich inniger aan mij hecht dan ooit, omdat ook voor hem deze schok louterend kan zijn.’1)

Maar van den Brink hechtte zich niet inniger aan Truitje dan ooit. Bake moest hem 16 Febr. 1845 schrijven: ‘Voor 14 dagen heb ik te Amsterdam Juffr. Toussaint ontmoet; en wanneer ik u zeg, dat ik eene ruime zeer vertrouwelijke conversatie met haar heb gehad, kunt gij wel nagaan, wie en wat daarvan het onderwerp was.... Hare beminnelijkheid heeft mij geheel betooverd; maar ik heb ook diep medelijden met haar lot. Wat is, bij het blijven bestaan van de betrekking tusschen u beiden, haar vooruitzigt? Bij de groote onwaarschijnlijkheid (om geen harder woord te gebruiken) van uwe terugkomst en plaatsing hier, kan men zich alleen eene chimère maken van eene of andere statio buitenslands, eene of andere bepaalde betrekking, bezigheid, bedrijf, aan 't welk eene wedde verbonden is, en dat u zou vestigen. Maar is daar kans op, en zoekt gij dat werkelijk?.... Uwe affectie voor het engelachtig meisje komt meer uit ijdelheid voort dan uit uw hart.’2) Maar, na vier maanden te hebben laten verstrijken (en een rappèl te hebben ontvangen), geeft van den Brink slechts het bescheid: ‘Ik zal uwen brief met gelijke opregtheid beantwoorden. Vergun mij dat ik het heden niet doe, omdat het eene zaak van langen adem is.’3) En dan komt, 29 Juni 1845, de eigenlijke brief:4)

‘Wat de oorsprong van mijn liefde voor Jufvr. Toussaint geweest zij, ik meende wat ik deed, toen ik haar vroeg. Zoo ik iemand bedroog, ik bedroog mijzelven. IJdelheid, zooals U.H.G. vermoedt, had, geloof ik, geen deel aan de verbintenis tusschen ons beide: ijdelheid zou misschien veeleer in staat zijn geweest haar te ontbinden. Mij ten minste was de aureole, die het der wereld beliefde aanstonds om onze onderlinge betrekking te werpen, eene aanstoot. Ik ben noch dichterlijk noch romanesk genoeg, om mij wèl te gevoelen bij eene zoo nevelachtige hoogte... De nei-

[p. 271]

ging was door haar meer dan door mij gevierd... Hier werden droomen verstoord eener levendige fantasie, die op de vleugelen van liefde door alle hemelen gedragen was. Die met éénen slag te vernietigen, ware geweest haar in den levensader te treffen. Dit kon, dit mogt ik niet. Tot leniging was slechts één middel in staat: haar te verheffen tot een meer dan gewone zedelijke krachtsontwikkeling.... Ziedaar de gronden mijner handelwijze.... Ik rekende, meer dan ik had moeten doen, op mijne zedelijke kracht, toen ik om de voortduring harer trouw smeekte....
Ik had kwade neigingen, die mij en u allen veel leed hebben gedaan. Maar dank zij mijn ongeluk, mijne neigingen staan mij niet meer in den weg.... De plaats, die de booze daemons in mijn gemoed hadden ledig gelaten, werd niet, zooals behoord had, door liefde of dankbaarheid jegens Jufvr. Toussaint ingenomen; andere hartstogt trad te voorschijn. Gij vraagt, of in de twee jaren mijner afwezigheid haar beeld nimmer door een ander in het duister is geplaatst? En ik moet u het pijnlijke aveu doen: ja!.... Toch gevoelde ik, dat de gedachte, die mij beheerschte, eene schandelijke ontrouw was, en ik geloof dat ik haar meester ben geworden.... Het was eene situatie, waarvoor Goethe geene andere ontknooping wist dan een zelfmoord.
Op de vraag die gij mij doet; is de opheffiing van ons beider betrekking niet wenschelijk, moet ik openhartig ja antwoorden: maar tevens er bij voegen, dat ik die betrekking noch kan, noch mag losmaken tenzij Jufvr. Toussaint het wenscht.... Zeg mij uwe gedachten, geef mij uwen raad....’

Dit zal voor Bake een te delicaat punt zijn geweest: hij komt er in geen zijner brieven meer op terug. 4 Juni 1846 schrijft (ziek, uit den Haag) Truitje aan Potgieter: ‘Ik wroet maar niet in de wonde, die van den Brink's verwaarloozing mij toebrengt. Anders was die band nu reeds ontknoopt, doch de bemoeijingen daarmede zijn mij nu te zwaar. Het valsche licht, dat dit aanhouden (der verloving) op mij werpt, zal ik dus nog wat dragen’.1) - Aan zijne moeder zegt hij, 9 Aug. 1846 (want de vader was in 1840 overleden):

‘De omgang met Truitje had niet den invloed, dat ik daardoor van ongeregeldheden werd teruggehouden. Bij de treurige ontknooping van mijn lot verdient hare trouw mijne hulde. Maar eerbied en dankbaarheid zelfs kunnen niet aanvullen, wat aan liefde ontbreekt. Van beide zijden is het meer en meer voelbaar geworden, dat de band die ons verbond niet langer door kunst was vol te houden, en er is verkoeling gevolgd; in mijne brieven aan haar liet ik zelf niet onduidelijk doorschijnen, dat wij elkander meer en meer vreemd werden, en op mijn laatste schrijven heeft zij tot heden niet geantwoord. In dien tusschentijd is een andere vlam bij mij ontwaakt en gevoed.... Ik heb Luik en mijne hospita dikwijls genoemd, maar ik heb u nimmer gesproken van de bekoorlijkheid, die hare oudste dochter, mijne lieve Julie, voor mij had.... Wij beide bidden u om uwen zegen’2).

[p. 272]

En 1 October 1846 (na een brief van Truitje te hebben ontvangen):

‘De hoofdpunten zijn deze: sinds lang heeft zij niet meer op mij gerekend bij het denken aan hare toekomst. Veel en velerlei had haar teruggehouden mij dit te schrijven; maar het wegblijven van mijnen brief op haren verjaardag1) heeft den doorslag gegeven. Zij had met hare trouw het beste voor mij beoogd; een verwijt dat dit zoo weinig indruk op mij maakte, eene beschuldiging dat mijn gedrag daaraan niet beantwoordde (eene beschuldiging die valsch is zooverre zij mijn handel en wandel betreft). Zij wil grieven noch klagten uiten. Zij vergeeft mij alles en wil voor 't minst in vrede scheiden.... De brief, ik moet het zeggen, is kalm en waardig, met een klein tikje van ijdelheid’2)

(Hoe juist dit gezien is, blijkt uit haar briefje van 6 Oct. 1846 aan Potgieter: ‘Het kon niet langer; hij ridiculiseerde mij door zijn gedrag en handelwijs; ik vergeef het hem; hij kan niet anders’).

21 December 1847 huwde hij Julie Simon, die hij slechts tot Juli 1855 heeft mogen behouden; eerlang sloot hij een ander huwelijk; toen was, zooals de Scharten's het uitdrukken, ‘de diepe drijfkracht uit hem weg.’3)

‘Duidelijk herinner ik mij den zwaren kolos en de slordige met snuif bemorste kleeding, zooals hij achterover geleund in zijn stoel zat bij de ouderwetsche kolomkachel van mijn vader. Zwaar rustten de beslijkte laarzen op het voetstuk van het tuitelige meubel, dat bij elke beweging van de logge gestalte schudde en dreigde om te storten, wanneer de groote man zijn luide, schorre stem accompagneerde met breede gebaren, telkens uitbarstend in een daverend gelach. Geen oogenblik kwam eenige schuwheid bij mij op, goedhartig en zeer licht geroerd als hij zich toonde midden in zijn ruwe uitvallen.’ (S. Muller Fz., Briefwisseling van Bakhuizen van den Brink, XX).
‘Bakhuizen van den Brink was het toonbeeld van kracht. Zijn zware en breede gestalte, zijn forsch hoofd, zijne ruw gebeitelde trekken, zijn flink, open voorhoofd, zijne vierkante houding, zijne versmading van alles wat naar netheid en vormelijkheid zweemde gaven den indruk van exuberante levenskracht. Den stempel van het genie droeg hij hoofdzakelijk in de schranderheid en levendigheid zijner oogen.... Bij Bakhuizen klonk de homerische lach door het gansche vertrek en deed tafel en stoelen dreunen. Welk een prachtig, onbehouwen blok! Wat luimen jok ontstroomden aan die breede lippen!.... Gul en jolig, bleef hij zijn leven lang een studententype.... Mededoogen met zwakke pogingen kende hij niet.... Bakhuizen is niet de eenige onder de mannen van genie geweest, die hunne aangeboren schroomvalligheid onder
[p. 273]
overmoed trachtten te verbergen... De rijksarchivaris - persoonlijk heb ik hem in geen ander ambt gekend - was een zeer buitengewone verschijning.... Het losrukken der wortels vereischt de ruwe, ongehandschoende hand.... Ontdekte hij niet een nieuw en levend zeventiende-eeuwsch Amsterdam, toen hij Vondel met Roskam en Rommelpot ten tooneele voerde?.... Waren zijne studiën niet meestal revelaties?... Doch doe ik Bakhuizen onrecht, wanneer ik het duurzame meen te betwijfelen van de warmte, door zooveel spranken voortgebracht? Immers vooral in de laatste jaren zijns levens verbande cynisme alle denkbeeld aan toewijding.... Groote werken van langen adem laat hij weinige na.... De nimbus dezer kolossale persoonlijkheid zou verdwijnen, als Potgieter niet meer voor hem gedaan had dan hij voor zichzelven deed.’ (Zimmerman in Gids 1872, I 518).

Hoe beschreef hem dan Potgieter1): ‘Slechts Rembrandt zou in staat zijn geweest hem weêr te geven, zevenachtste van het borstbeeld in schemering hullend, om alleen in de oogen eene grootsche gedachte bezielend te doen lichten! Sensualiteit en genialiteit! - talrijk zijn de heugenissen, hoe beide gaven in hem bij wijle elkander bestreden, in hem bij wijle zaâmsmolten.’

 

Maar laten wij, zooals wij met Potgieter deden, Bakhuizen ook zichzelven teekenen: ‘Hooft heeft mij geleerd en gevoed.... Wat ik nationaal in hem acht is de aanschouwelijke, materieele beeldrijkheid zijner taal. Eene eigenaardigheid, die naar mijne meening in het Hollandsch ligt en er in bewaard en hersteld noet worden.’

‘Ik ben van Hollandsche potaard. De roem van het voorgeslacht is mij zoo lief, dat ik zelfs zijne gebreken zien durf zonder iets van mijne bewondering te verliezen....’

‘Mijne vrienden zijn in beweging; zij broeden iets, ik wil hen komen helpen. Schrik niet en zet, bid ik u, geen Oudeheerengezigt op de gedachte aan een jong Holland....’

‘Ik ben Hollandsch van top tot teen en heb in den vreemde ondervonden, dat ik nergens te huis was dan dáár; - reeds veel dunkt mij gewonnen wanneer ik de lucht, die van daar waait, kan opvangen en ieder geruisch beluisteren.... Ik heb behoefte aan Hollandsche vrienden.... Ik wil niets nemen zonder met woeker terug te geven.’

De nimbus is, sedert Zimmerman schreef, zeker nog niet verdwenen.

[p. 274]

W.J.C. van Hasselt, geb. 1795, overl. 1864.... 1838-1845

Studeert te Leiden; rechter te Amsterdam; 1848-1852 kamerlid.

 

J. van Geuns, geb. 1808, overl. 1880............ 1838-1849

Studeert in de medicijnen te Amsterdam en te Leiden; practiseerend geneesheer te Amsterdam; 1847-1873 hoogleeraar aldaar.

 

H. Pol, geb. 1811, overl. 1845 ............... 1840-1845

Studeert te Groningen; geeft privaatlessen te Amsterdam.

 

J.F. Oltmans, geb. 1806, overl. 1854 ........ 1841-1843

Schrijver van De Schaapherder; heeft als Gidsredacteur weinig succes gehad.

 

B. ter Haar, geb. 1806, overl. 1880 .......... 1843-1845

Studeert te Leiden; werd predikant o.a. te Amsterdam; dichter van Huibert en Klaartje.

 

P.J. Veth, geb. 1814, overl. 1895 ............ 1844-1876

Studeert te Leiden; 1841 hoogleeraar te Franeker; 1842 te Amsterdam, 1864-1885 te Leiden.

‘Door het incident-Huet was hij van Potgieter verwijderd geworden maar hij was langen tijd Potgieter's vriend geweest en hij sprak over hem met de bijzondere vereering waarmee allen uit dien kring over hem bleven spreken, en ik herinner mij dat hij eens bewogen stond bij het zien alleen van zijns ouden vriends portret.... De verdienste van zijn jarenlange medewerking aan de Gids lag in de vaardigheid van zijn veelomvattende kennis....
Een strijder die van Veth's streven liever iets kwaads dan iets goeds getuigde, de hartstochtelijke Roorda, heeft eenmaal in een onwillekeurig eeresaluut van hem uitgeroepen of die man dan nooit wandelde, nooit at, nooit sliep, - en een andere libertijn die den kalmen kamergeleerde van nature slechts weinig kon genegen zijn, Douwes Dekker, moest neerschrijven dat Veth meer van Indië wist, dan alle andere Indische specialiteiten te samen.... Van kwaad en van hardheid had deze milde geest waarlijk geen verstand’ (Jan Veth in Gids 1895, III 291).

G. de Clercq, geb. 1821, overl. 1857 ......... 1846-1849

Studeert te Leiden; in 1845 reeds medewerker aan de Gids (‘Het voorstel ter Grondwetsherziening’); secretaris van de Amstel-sociëteit; in 1849 referendaris onder van Bosse; bewerkt

[p. 275]

in 1850 de Scheepvaartwetten; 1851 secretaris der Handelmaatschappij. - In 1887 zijn zijne artikelen herdrukt.

‘Wat bij uitstek een ieder trof, was hoezeer Gerrit de Clercq de moderne man was.... Wanneer hij naar Leiden vertrekt, volgt hij niet de lessen der professoren, die hij meestal uitlacht - slechts Thorbecke scheen eenigen, doch zeer zwakken indruk op hem te maken - werpt hij met zijn makkers de hoogste vraagstukken van kennis en smaak als ballen omhoog. Hij wordt daar de jeugdige titan.... De vader teekent de weemoedige woorden op: “Hij schuift mij weg als huisvader”.... De zoon vermeed alle explicatiën, wetend dat het tot niets zou leiden. Hij kwam als doctor in de beide rechten in November 1843 te Amsterdam terug. Den 4den Februari 1844 stierf de vader.... Hij zelf zou den strijd gaan aanbinden met de conservatieven van Amsterdam.... In den loop van Februari 1845 ontving hij een ochtendbezoek van Potgieter, die hem aanbood in “de Gids” de plaats, die Mr. W.J.C. van Hasselt daar had opengelaten, in te nemen....
Hij zou niet oud worden.... 21 October 1857 stierf hij’ (Quack in Gids 1886, IV 446).

G.E. Voorhelm Schneevoogt, geb. 1814, overl. 1871........................ 1846-1871

Studeert te Leiden; 1840 te Amsterdam geneesheer aan het Buitengasthuis; 1851 buitengewoon hoogleeraar aldaar in de neuro-pathologie en psychiatrie.

‘Zijn persoonlijkheid kenteekende natuurlijke distinctie’ (Donders in Gids 1886, IV 485).

S. Vissering, geb. 1818, overl. 1888 .......... 1847-1849 later opnieuw 1865-1876

Studeert te Amsterdam en later te Leiden, onder Thorbecke; keert in 1843, na eenigen tijd in den vreemde te hebben doorgebracht, naar Amsterdam (waar hij geboren was) terug; schrijft in het Handelsblad over de opheffing der korenwetten in Engeland en, met D. Portielje, in 1847 eene Geschiedenis ter Tariefshervorming in Engeland; mede-oprichter der Amstel-sociëteit; van 1846 tot 3 Oct. 1848 redacteur der Amsterdamsche Courant; wordt, wanneer Thorbecke minister geworden is, door de Leidsche curatoren nummer twee geplaatst op de voordracht om Thorbecke te vervangen (nummer één was J. de Bosch Kemper), maar Thorbecke benoemt Vissering, die in 1850 zijn ambt aanvaardt en dit tot 1879 behoudt; schrijft een Handboek van praktische Staathuishoudkunde; van 1879 tot 1881 minister van financiën, daarna curator te Leiden.

[p. 276]
‘Met De Gids is Vissering weinig minder dan een halve eeuw nauw verbonden geweest, want hetzij zijn naam op het titelblad prijkte of niet, de nauwe betrekkingen welke hij, reeds kort na zijn optreden in het praktische leven, met de redactie aanknoopte, werden nimmer geheel afgebroken.... Zijn plaats in de maatschappij heeft hij zelf veroverd’ (Buys in Gids 1888, IV 466).
Het was de deugd van de historische school, dat zij veel meer dan vroeger nadruk heeft gelegd op de eigenaardigheden van de hier en daar bestaande toestanden en op het gewicht dat daaraan bij elke praktische beslissing behoort te worden toegekend, maar tegenover deze deugd stond de fout, dat zij zich telkens heeft laten verleiden het bestaan van algemeene economische wetten te loochenen. Om die fout heeft Vissering haar veroordeeld.... Hij aanvaardt in 1850 zijn ambt met eene redevoering over ‘Vrijheid, grondbeginsel van de staatshuishoudkunde’. Dit grondbeginsel is de roode draad, die men niet enkel in zijn wetenschappelijke maar ook in zijn populaire werken terugvindt. Met voorliefde heeft hij dien ouden boer ge teekend, die aan allerlei bespiegelingen over hervormingen den bodem komt inslaan door zijne nuchtere raadgeving: ‘Laat toch begaan’.... De staatsman en de staatshuishoudkundige naderen langs verschillende wegen dezelfde vraagstukken en verklaren zich daarover in volmaakt denzelfden zin. ‘Eene eerste wet,’ schrijft Thorbecke ‘is onthouding....’ (Buys in zijn Levensbericht, Kon. Akademie).

H.C. Millies, geb. 1810, overl. 1868 ........ 1848-1850

Luthersch predikant te Kuilenburg, Haarlem, Utrecht; komt in 1847 naar Amsterdam als hoogleeraar aan het Luthersch seminarie; 1856 te Utrecht hoogleeraar in de Oostersche talen.

 

J. Heemskerk Bz., geb. 1811, overl. 1880 ...... 1848-1853

Studeert te Utrecht, doch studeert niet af en keert naar Amsterdam (waar hij geboren was) terug; richt in 1847 met Gerrit de Clercq, Martinus van der Hoeven, Vissering en Heye een debatvereeniging op (het Vrijdagsch gezelschap); van 1849 tot 1872 bijna onafgebroken kamerlid; wordt in 1850 te Groningen gepromoveerd tot doctor in de rechten honoris causa; schrijft na 1853 niet meer in de Gids, behalve dat hij er in 1867 Bosscha's ‘Pruisen en Nederland’ beoordeelt; wordt 1872 geplaatst in den Raad van State.

 

H. Riehm, geb. 1822, overl. 1852 ............. 1849-1852

Studeert te Amsterdam, promoveert te Leiden; medicus te Amsterdam.

[p. 277]

F.W.A. Miquel, geb. 1811, overl. 1871...... 1849-1851

Studeert te Groningen; 1835 lector aan de Rotterdamsche klinische school; 1846 hoogleeraar in de kruidkunde te Amsterdam; 1859 zelfde zetel te Utrecht.

 

H.J. Schimmel, geb. 1823, overl. 1906....... 1851-1867

1842 klerk bij de Ned. Bank; 1849 employé der Handelmaatschappij; van 1863 tor 1878 directeur der Amsterdamsche Credietvereeniging. Dichter, romancier, tooneelschrijver. Vestigt zich in 1878 te Bussum.

 

J. van Gilse, geb. 1810, overl. 1859 .......... 1852-1859

Studeert te Amsterdam aan het Doopsgezinde seminarie; promoveert te Leiden, wordt beroepen te Amsterdam; 1849 hoogleeraar aan het Doopsgezinde seminarie.

 

Joh. C. Zimmerman, geb. 1828, overl. 1888 .... 1852-1876

Makelaar in suiker te Amsterdam; vervolgens bankier.

‘Het was te Baarn dat ik Zimmerman het eerst leerde kennen, gedurende de jaren 1840-1845; ik was daar met zijn jongeren broeder August op de kostschool van den heer van Dapperen.... De kostschool was vol Indische jongens, die moeilijk te regeeren vielen.... Van tijd tot tijd kwam die broeder (die, een jaar of zes ouder, bij zijn oom Willem aan huis was) uit Amsterdam naar hem kijken.... Hij sprak met zekere meesterschap en was altijd zeer beslist in zijn optreden.... Hij werd door zijn oom en tante als een wonderkind beschouwd.... Op de kantoren bij Übel & Co. en bij de Wed. J. d'Arrippe - hij zou koopman worden en in de zaak van zijn oom opgenomen worden - werd hij zeer gewaardeerd.... Die oom was een wakker en bedrijvig makelaar in suiker.... Zijn echtgenoote was dochter van den dichter Barend Klijn.... Er was in het huis een letterkundige atmosfeer.... Ouderen en jongeren hadden, onder leiding van mr. S.P. Lipman, een club opgericht, de Amstelsociëteit.... Ook Zimmerman, hoe jong ook, behoorde tot hen.... Hij ging er om met Berg van Dussen Muilkerk, met de professoren Beyerman en Veth.... Een der hoofdpunten van het liberale programma was het afbreken van het koloniaal behoudstelsel.... Veth en Zimmerman volgden van Höevell.... Toen onder diens invloed een orgaan was opgericht dat onder den naam “de Indiër” het monopolie-stelsel bestookte, nam Veth in 1853 de hoofdredactie van dat blad over van Steyn Parvé, doch had in 1853 en 1854 tot ijverigsten medewerker onzen Zimmerman. ....In Amsterdam groepeerde hij allengs de Thorbeckianen tot een partij.... Hij heeft nooit ingezien, dat het een fout der Thorbeckiaansche partij kon zijn geweest, dat zij den Staat losmaakten van de Maatschappij. Gerrit de
[p. 278]
Clercq had dit vroeger wel ingezien, doch Zimmerman, gesteund een tijd lang door mr. C. van Heukelom, een vriend van zijn jeugd, door mr. van Limburg Brouwer, dien hij in 1850 leerde kennen, heeft voor dit verschiet geen oog gehad....
Al zijn letterkundige aspiratiën vonden hun uitweg, toen hij Potgieter leerde kennen. Potgieter bezocht meermalen zijn ooms huis. Toen Potgieter uit Zwolle in 1821 in Amsterdam was gekomen had hij zich met zijn eerste dichtproeven (omstreeks 1825) ook tot Barend en H.H. Klijn gewend.... Potgieter was het hoofd der nieuwe letterkundige school geworden.... Hoofdzaak was, dat hij het Hollandsche volk wakker ging schudden door zijn kritiek. Hij had evenals Thorbecke een verpletterende minachting voor lauwheid en halfheid. Zimmerman bewonderde voetstoots alles van Potgieter....
Hij had een zeer bedrijvig leven.... Het Indisch coloriet dat over zijn gelaat en wezen was verspreid, oefende bekoring uit. Hij scheen onvermoeid.... Hij rondde zijn bestaan en werkkring harmonisch af, toen hij in Juli 1853 zijn huwelijk sloot met de jonge dochter van den hoogleeraar Willem Vrolik.... Hij muntte uit in “la littérature facile”, zooals hij het zelf noemde.... Doch in December 1862 leidde Potgieter Busken Huet binnen. Van dat tijdstip af begon er wrijving en botsing te komen.... Potgieter steunde Huet op alle wijzen. Zimmerman boog het hoofd.... Hij bleef Potgieter even hoog achten, en de verwijdering tusschen hen was slechts kort en niet volkomen....
De moeder van zijn groot gezin stierf in November 1874.... Na den dood van Potgieter onttrok hij zich allengs aan den Gids en bleef zich slechts bepalen tot het bezorgen eener volledige uitgave der werken van den meester’ (Quack in Gids 1888, IV 177).

P.N. Muller, geb. 1821, overl. 1908 ........ 1854-1881

Zoon van Samuel Muller, doopsgezind hoogleeraar te Amsterdam, broeder van Frederik Muller, den grondvester der bibliografische wetenschap in Nederland, en van Hendrik Muller, koopman te Rotterdam en lid van de Eerste Kamer. Hij zelf was van 1841 tot 1844 handelsleerling te Londen, en vestigde eigen zaken in 1850 (in 1895 geliquideerd). Werd lid van den Amsterdamschen gemeenteraad en van de Prov. Staten van Noord-Holland. Wilde niet in de Eerste Kamer (waartoe hij benoemd was), omdat hij zijn broeder Hendrik kende als hartstochtelijk voorstander van Rotterdamsche belangen en hijzelf even sterk aan die van Amsterdam gehecht was.

‘Het was een genot hem te hooren uitpakken.... De gulle glimlach die soms den woordenvloed onderbrak, sloot elke gedachte aan vijandschap tegen de personen op wie het gemunt was, buiten.... Zijn beeld is te sprekend, om ooit in mijn herinnering te verdwijnen.... Wakker en kloek’ (de Beaufort, Gids 1908, IV 338).
[p. 279]

P.A.S. van Limburg Brouwer, geb. 1829, overl. 1873........................ 1854-1865

Zoon van den Groningschen hoogleeraar P. van Limburg Brouwer (schrijver van ‘Het Leesgezelschap te Diepenveen’). Studeert te Groningen en vestigt zich in 1850 als advocaat te Amsterdam; lid van het ‘Vrijdagsch gezelschap’; wordt in 1856 ambtenaar aan het Rijksarchief te 's-Gravenhage. Van 1864 tot 1868 lid van de Tweede Kamer. Schrijft in 1872 ‘Akbar’. - Herdacht door Zimmerman: Gids 1873, I 500.

 

H.P.G. Quack, geb. 1834, overl. 1917 ........ 1863-1894

Studeert te Amsterdam; 1860 aan de provinciale griffie te Haarlem; 1861 secretaris der Kamer van Koophandel te Amsterdam; 1863 naar den Haag als secretaris der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen; 1868 hoogleeraar te Utrecht; 1877 secretaris der Ned. Bank, later mededirecteur (tot 1912); tevens commissaris en van 1904 tot 1914 koninklijk commissaris bij de Ned. Handelmaatschappij; andere commissariaten: Staatsspoorwegen en Kon. Ned. Stoombootmaatschappij; 1885-1894 buitengewoon hoogleeraar te Amsterdam; schrijver van De Socialisten en van Herinneringen.

‘Quack, bloemrijk als hij anderen herdacht, heeft zelf in eenvoud willen worden uitgeleid.... Berichtte hij niet over zichzelf? Wie die het hem thans verbeteren zou?....
Behaagzucht steekt naar onzen smaak in àl Quack's werk. Het woord kostte hem niet veel; en hij bedronk zich wel eens aan het woord.... Hij grijpt niet met ijzeren greep. Is zijn levensdoel geweest “een edelen hartstocht in de ziel van zijn volk te werpen”1), dan is dit doel niet bereikt. Het is ook wel héél hoog gesteld. De ziel die, uit eigen overvloed, de leegte vullen kan van een geheel volk dat een tekort aan geestesleven is gaan vertoonen, moet een steeds wellende bron bezitten in zichzelf. Wie zal er Quack bijtellen?
“De wereld om mij heen verweet mij nu en dan de vaagheid van mijn aspiraties. Ik kon geen daden toonen”2). Wie deze bekentenis heeft neergeschreven - en er zijn er tien of twaalf zoo in zijn boek - heeft zijne minderen reeds ontwapend. “Neen,” staan zij gereed te zeggen, “gij kunt eene overvloedige hoeveelheid daden toonen, maar zij houden voor een deel zoo weinig onmiddellijk verband met uwe woorden.”
Naar eigen getuigenis toch heeft hij “dapper meegeholpen aan de werkzaamheid van verschillende machtige economische productiefactoren van ons land”3). Dit staat er niet voor de leus. In zijn overgang
[p. 280]
tot een modern-kapitalistische ontwikkeling heeft ons land nauwelijks iemand bezeten die zóó lang achtereen en in zóó gewichtige betrekkingen die ontwikkeling, als intelligent en arbeidzaam dienaar, bevorderd heeft. En nu zegt hij wel: “eer men aan de distributie toekomt moet er geproduceerd worden”; maar dit helpt ons niet aan de oplossing van het raadsel, hoe Quack het evenwicht gevonden heeft tusschen zijn dagelijksch doen en zijn dagelijksch droomen.
Heeft hij het wel gevonden? Zijn Herinneringen eindigen in een “Pacem imploro”.... Omdat het accent van zijn mysticisme, ondanks de nooit ontbrekende bijmenging van mondaniteit, toch van tijd tot tijd weet aan te doen als onmiskenbaar echt, zullen van zijn daden enkel die in herinnering blijven, die hij en hij alléén heeft kunnen verrichten. Zijne verdiensten ten opzichte van Bank, Staatsspoor, Handelmaatschappij, deelt hij met anderen. De Socialisten is van hem alléén, en in het Holland van 1875 dit boek geconcipieerd en de conceptie aanstonds uitgevoerd te hebben, blijft een titel tot zeer eervolle vermelding. Voor iemand die voor een goed deel zijn weg nog maken moest en lang niet onverschillig was voor den bijval der wereld, is dit werk een daad geweest in den kloeksten zin van het woord.
Ons geslacht is aan het boek ontgroeid. Wij worden ongeduldig bij dit onafzienbaar magazijn van liefdevol geëtiketteerde utopieën. De S.D.A.P. is er, en de taak onzer staatslieden komt voor een goed deel hierop neer, te beproeven of er compromissen met haar zijn te sluiten... Zij is reeds de satisfait in de bestraffende voorstelling van weer nieuwe droomers. Maar denk aan het Holland van 1864, toen Quack over Lassalle schreef en op de “Witte” niemand begreep, waar hij het eigenlijk over had.... Geen revolutionnair; - hij heeft nooit een vorm gebroken; wel de vele vormen, waarmede hij omgaan kon, gevuld met de tinteling van iets nieuws. Zoodat wij heengaan in de verzoenende stemming die epigonen past’ (Colenbrander in Gids 1917, I 375).

J.T. Buys, geb. 1828, overl. 1893 ............ 1863-1893

Studeert te Amsterdam; 1851 aan de prov. griffie te Haarlem; 1857 secretaris van Rijnland; 1862 hoogleeraar te Amsterdam; van 1864 tot zijn dood hoogleeraar te Leiden.

‘Zijn ouders woonden op een der beste gedeelten van de Heerengracht en golden voor zeer vermogend.... In 1847 had een geweldige crisis in zijn leven plaats. Het kantoor van zijn vader moest de betalingen staken. Die ramp was voor Buys een omkeer in zijn bestaan.... Hij moest zorgen dadelijk wat te verdienen. Inderdaad kreeg hij als student reeds een betrekking. De Amsterdamsche courant, toen onder leiding van Vissering, had iemand noodig, om uit de buitenlandsche bladen de berichten te vertalen en aanéén te rijgen.... Bij de Duitsche aangelegenheden moest Vissering zijn medewerker dikwijls temperen, wanneer Buys de duitsche demagogen te fel bestookte. Vrijheid beteekende bij Buys reeds toen allereerst eerbied voor orde.... 17 April 1850 promoveerde hij.... Vissering, die in deze dagen in alle opzichten zijn beschermer was, beval hem mr. G. de Vries aan.... Op diens voorspraak werd Buys met ingang van 1 Juli 1851 benoemd tot adjunct-commies
[p. 281]
ter provinciale griffie van Noord-Holland. Hij nam die betrekking waar tot 1 Januari 1857....
Oudere Haarlemmers weten nog te verhalen van de vier vrienden die dagelijks samen tafelden en redeneerden. Het waren Buys, Busken Huet, Naber en Bergsma. Vooral tot Huet voelde Buys zich in die dagen aangetrokken.... Op staathuishoudkundig terrein bepleitte hij steeds voor zijne vrienden de leer der “Harmonies économiques” van Bastiat. Alles zou in economischen zin ten goede loopen, mits men liet begaan... De staat moest slechts algemeene voorwaarden eerbiedigen, waaronder ontwikkeling van individuën en instellingen mogelijk was.... In 1855 vond Kruseman hem bereid de redactie van de “Wetenschappelijke Bladen” te aanvaarden, die hij tot en met 1864 bleef voeren.... 1 Jan. 1857 werd hij secretaris van Rijnland, en verhuisde van Haarlem naar Leiden. Aan het hoogheemraadschap van Rijnland is hij bijna zes jaren verbonden gebleven, tot October 1862.... Bovendien had hij in 1857 een werkzaamheid gekregen die hem bijzonder toelachte: secretaris van het College der Zeevisscherijen; hij heeft die betrekking waargenomen tot 31 Dec. 1890.... Hij huwde in den zomer van 1859. Zijne vrouw is altijd zijn poëzie en zijn muziek gebleven....
Dikwijls dacht ik - en ik was waarlijk niet de eenige - dat in Buys de opvolger van Thorbecke zou oprijzen. Hij toonde dat hij kon besturen; wij hadden er een voorgevoel van dat hij ook kon leiden: nu controleeren, misschien straks regeeren. Maar het leiden zou verwezenlijkt worden op den katheder van de professorale gehoorzaal. De stad Amsterdam benoemde, bij het terugtreden van de Bosch Kemper, Buys tot hoogleeraar in de juridische faculteit.... Staatsrecht werd afgewisseld met economie en statistiek, strafrecht met volkenrecht.... 13 Oct. 1862 sprak hij zijn inwijdingsrede uit over “Het wezen van den constitutioneelen regeeringsvorm”1)... De inhoud is die van een model “leading-artikel” voor een liberaal orgaan;.... beslist, maar misschien eenzijdig.... Het Amsterdam dier dagen gaf allerlei kijkgaten aan zijn waarnemenden geest.... In Januari 1863 trad hij in de redactie van “de Gids”, met het kennelijk doel de politiek van dat tijdschrift te leiden.... In het Juli-nummer van 1863 schreef hij zijn driftig artikel “Een gevierd Monopolie”, misschien het geestigst opstel dat hij vervaardigd heeft: zie den ironischen lof voor directie en aandeelhouders der Nederlandsche Bank, “aan wie jaren achtereen met zeldzame vrijgevigheid is welgedaan, en die tegelijkertijd zich den schoonen titel hebben verworven van weldoeners van handel en nijverheid.” Wij gedenken zijn woord “dat het onfeilbaar recept in ons land voor alle houders van uitsluitende voorrechten is: stoutmoedigheid.” Buys was in dit artikel zijn verleden volkomen getrouw.... Thorbecke zag blijkbaar met welgevallen naar dien jongen stouten kampioen der liberale partij. Toen hij in 1864 den Raad van State reorganiseerde, benoemde hij den jongen Buys tot staatsraad in buitengewonen dienst. Straks, toen de oude conservatieve hoogleeraar in het staatsrecht te Leiden, Cock, zijn emeritaat moest nemen, benoemde Thorbecke hem tot diens opvolger....
In Juli 1864 hield hij te Leiden zijn intreêrede, over “het moderne
[p. 282]
staatsbegrip”1).... Hij ziet allereerst den verbiedenden, vermanenden staat, hij wil nog niet weten van den steunenden, helpenden, voortdrijvenden staat.... Doch voller wordt reeds zijn toon, waar hij bepleit dat in het staatsgezag het bewustzijn der eenheid van het volk moet spreken: “Het individu is veilig tegen de overheersching van den staat, zoolang het geweten van de éénheid elk besluit van de meerderheid leidt”.... Zóó bezielend was nog zelden over het staatsrecht in ons land op college gesproken!.... Bij gelegenheid van de overdracht van het rectoraat aan de Leidsche hoogeschool op 8 Februari 1876 sprak hij aldus: “Heden nog leerlingen, zijt gij morgen reeds openbare meening: wie weet hoe spoedig de zware staatstaak zelve ook in uwe handen rust. Komt die dag, o mocht gij dan die schoone taak aanvaarden, niet enkel met wat gij hier gewonnen, maar ook met wat gij hier niet verloren hebt: niet enkel met een rijk hoofd, maar ook met een rijk hart”2).. En elders: “wat ik mijn vaderland en u zelven zou toewenschen? Dat gij banierdragers zijn mocht van den door de maatschappij bezielden, maar nooit door de maatschappij overheerschten staat. Grijpt die banier met gespierde vuist en klemt ze vast in uw vingeren; want de Staat, van alle kanten door de Maatschappij besprongen, zal aan al uwe krachten niet te veel hebben”3)....
Wanneer men als uitgangspunt van alles dien strijd tusschen Staat en Maatschappij als vaststaand beschouwt, moet beteugeling der maatschappij de logische consequentie zijn... Zijn opvatting van een blijvenden strijd tusschen staat en maatschappij leidde hem op den weg eener strengere staatsvoogdij... De voorstanders eener vredelievende organisatie der maatschappij door den staat hadden in hem geen warmen bondgenoot.... Hij kwam beslist op tegen de drie groote verzekeringswetten van Bismarck: de ziekte-verzekeringswet van 1883, die tegen ongelukken van 1884 en die tegen invaliditeit en de ouden dag van 1889. ... Het kostte hem veel moeite pas te houden met de jongeren... Hij was huiverig zich door de aandoeningen der maatschappij te laten doordringen... Een hoofdkaraktertrek van Buys bleef wantrouwen in de democratie. Van jeugd af was hij de correcte liberaal. De man der degelijke, bedrijvige burgerij.... Het volk, de vierde stand, moest eerst nog een opvoedingsschool doorloopen, om te toonen dat het onder alle omstandigheden gevoel voor orde had... Hij wilde wel vooruit, maar hield de rem der locomotief stevig in de hand....
Distinctie is het woord dat het best past voor die opstellen, welke Buys ten dienste van het groote publiek bewerkte.... Door die artikelen is hij een der meest erkende organen van de liberale partij in ons land geworden. Geen leidsman, maar een “censor” op zijne eigen beschaafde wijze... Het stuk “Stormschade”, dat de dagteekening van Januari 1876 draagt, laat voor het eerst een kentering in het gemoed van Buys blijken. De oude helden, Thorbecke en Groen van Prinsterer, zijn niet meer en hun plaats is ingenomen door mannen van de tweede orde.... Alles wordt kleiner... Op het practisch staatsterrein ontzinkt van tijd tot tijd de hoop.... Het worden de dagen, waarin het voor een ieder zicht-
[p. 283]
baar wordt dat men tot herziening van de Grondwet van 1848 moet komen... De taak wordt niet met blijde hoop, maar met zekere angstvallige zorg aanvaard.... Voor hemzelven concentreert zich allengs alle aandacht op de aanstaande kieswet... Tot de minister Tak werkelijk de poort wil ontsluiten.... In twee stukken, in November en December 1892 uitgekomen onder den titel “Aan gene zijde van het Algemeen Stemrecht”, wijst hij voor het laatst op al de bezwaren; hij weet alles wat er zal komen, maar dat ééne weet hij niet, hoe zich te verzetten tegen de strekking van het zeer uitgebreide kiesrecht.... Een droevig slot van die reeks van politieke artikelen in “de Gids”... Hij zag de wateren der democratie thans overal geweldig opzetten in reuzenkracht.... Helaas de zekerheid kwam nu: het dalen en zinken van den naar Engeland's model saamgestelden constitutioneelen staat....
Vertoon van belezenheid om er mede te brilleeren was hem een gruwel. Zelden gebruikte hij den overtreffenden trap. Hij bleef in elk opzicht sober, ingetogen, wars van effectbejag....
Hij stond buiten de practische politiek. Hij had begrepen dat hij niet de geschikte man was Thorbecke op te volgen. Hij bleef slechts adviseeren. Hij weigerde in ministerieele combinaties opgenomen te worden... Geen staatsman dus, maar een professor: dat zal hij blijven voor de nakomelingschap... Jongelieden gaven hem hun hart, en nog iets meer - hun jeugd... Hij heeft geen bepaalde school gevormd. Hij was onzelfzuchtig. Op reine wijze de gemeenschap te dienen, dat drukte hij zijn leerlingen op het hart.... Nimmer was er eenige omhaal of drukte in zijn verkeer. Trouwer vriend heb ik niet gekend’ (Quack in Gids 1893, IV 201).

C.A. Engelbrecht, geb. 1816, overl. 1890.... 1863-1864

Studeert te Leiden; leeraar o.a. te Harderwijk; 1862 hoogleeraar te Amsterdam, maar verwisselt in 1865 deze betrekking met het directeurschap der H.B S. te Middelburg; van 1866 tot 1885 is hij directeur der H.B.S. te Utrecht geweest.

 

Cd. Busken Huet, geb. 1826, overl. 1886...... 1863-1865

Studeert te Leiden; van 1851 tot 1862 Waalsch predikant te Haarlem; verlaat dan de theologie voor de letteren; daarna bij de courant der Enschedé's; nam in 1868 een conservatieve opdracht aan, de pers in Ned. Indië te ‘breidelen’; van 1868 tot 1872 redacteur van de ‘Java-bode’; richt in 1872 het ‘Dagblad van Ned.-Indië’ op; repatrieert in 1876; komt voor een Leidsch profesoraat in aanmerking dat hij evenwel niet verkrijgt; vestigt zich te Parijs.

‘Potgieter deed alles alleen af met Huet. Op de vergaderingen werden de nieuw uitgekomen boeken even besproken, doch het leeuwendeel was reeds ter behandeling aan Huet gegeven... Huet ontleedde zelfs de auteurs der werken, die in 1862 breedvoerig door de andere redacteurs waren behandeld, en schreed voort. Enkele leden der redactie
[p. 284]
bleven weg. Vergaderingen werden niet trouw meer gehouden. Op verzoek van Potgieter onderwierp Huet alle door de redactie goedgekeurde artikelen van andere schrijvers aan revisie en verbeterde hun zinsbouw en woordenkeus. Het stelsel om van de Gids te maken het voertuig van een bepaalde literaire richting werd dus consequent doorgevoerd. (Wat zijn stuk “de Tweede Kamer en de Staatsbegrooting” betreft,) Huet trad hier op een terrein dat voor hem toen vreemd was.... Er was geen plaats voor kleingeestigheid in zijn ziel. De kleingeestigheid van anderen raakte hem ook weinig.... Ik ben zelfs dikwijls bij hem verrast door zekere naieveteit’ (Quack in Gids 1886, II 397).

Toen Quack een afdruk van dit artikel had gezonden aan den, vroeger te Rotterdam, thans te Parijs gevestigden Réville, schreef deze hem terug:

‘Votre appréciation de Busken Huet est absolument conforme à celle que j'aurais exprimée moi-même, en me fondant sur d'anciennes relations interrompues par une de ses bouffées d'humeur intransigeante et blessante dont lui-même ne calculait pas la portée. J'en ai eu la preuve psychologique à Paris même où nous nous revimes après une quinzaine d'années de séparation matérielle et morale. Il renoua ses relations avec moi, motu proprio, en venant dès le premier jour me demander un service que je lui rendis d'ailleurs très volontiers. Le temps est un si grand calmant! Mais il est certain que si les rôles eussent été invertis, je n'aurais jamais pu prendre sur moi de faire appel au bon vouloir d'un homme que j'aurais traité comme il m'avait traité quinze ans auparavant. Cela prouve qu'il n'avait pas conscience du droit que j'aurais eu de me sentir offensé. Sa forte individualité, jointe à cette espèce particulière d'inconscience, le rendait inapte aux travaux collectifs. On l'a vu dans l'Eglise, il l'a montré en politique. Dans le temps, lui et (Allard) Pierson me faisaient toujours l'effet en politique d'être absolument novices et de prolonger indéfiniment leur noviciat. N'importe. C'était un homme de valeur, dont le nom restera parmi vos écrivains d'élite. Depuis que nos sphères respectives d'activité étaient devenues distinctes, nous entretenions des relations sinon très fréquentes, du moins très agréables, et je le regrette sincèrement’1).

Réville had, in 1866, tegen Huet's Ongevraagd Advies (waarin hij onbillijk was aangevallen) zijn Nous maintiendrons doen volgen. Sinds jaren droeg ik kennis van een frappant bewijs van dezelfde politieke onrijpheid bij Huet die Réville had opgemerkt (een brief aan Groen van Prinsterer), en publiceerden dien, toen in 1925 Verwey zijn Brieven van Huet aan Potgieter had uitgegeven. Ik schreef:2)

‘Verwey ziet in het conflict van Januari 1865 ‘het falen van het plan de Gids te verjongen’; voor zijn oogen treedt ‘het onvermijdelijke nood-

[p. 285]

lot dat zich aan dit tijdschrift voltrokken heeft’1).... De Gids die verjongd had moeten worden door ‘Avondjes aan het Hof’ en klachten van den ‘geabonneerde op het Bijblad’! Heeft dan de menigte welke men voorpraat dat het ongelijk in Januari 1865 bij Vissering en Buys is geweest, die stukken ooit gelezen? Het ‘Avondje’ is vrij onbeduidend en de drukte niet waard die Hare Majesteit niet heeft willen of kunnen voorkomen dat er om gemaakt werd; het toenmalige den Haag heeft midden in Boeotië gelgen. Maakt deze omstandigheid Huet tot een feniks en het ‘Avondje’ tot een parel? Het rammelt van geforceerde geestigheid. Maar niet dit Haagsche kabaaltje heeft de breuk veroorzaakt: dit deed Huet's quasi-politieke stuk, dat van de politieke vragen van het oogenblik geen zier begreep, en het ‘Bijblad’ slechts tot aanleiding nam voor boutades, druipend van zelfbehagen. In een redactie2) die niet voorkomen had dat in één aflevering Buys ‘Donkere Dagen voor Kersmis’ en dit stuk van Huet werden afgedrukt, moest het barsten. Had Nederland in 1865 zijn liberaal hoofdorgaan in handen moeten spelen - ja van wien? van een hyperradicaal van zóódanige weifelingen dat hij eerlang ‘toekomstdragers’ als Rochussen en van Zuylen om subsidies na zal loopen!3) Hadden wij Buys en Fruin voor dezen Huet mogen missen? De tijd schijnt voorbij, dat dit te bevestigen aan iemand als bewijs van verlichting zal worden toegerekend....
Voor mij begint de verzoening eerst wanneer in dit hard gemoed de teederheid doorbreekt en het overmant. Dit is na Potgieter's dood geweest. De Persoonlijke Herinneringen zijn het menschelijk zuiverste dat ooit uit zijne pen kwam.
Die overmanning heeft nagewerkt. Hij heeft, na den oppervlakkigen schimp van het laatste hoofdstuk van Van Napels naar Amsterdam, het Land van Rembrand kunnen schrijven. ‘Les victoires du bien sont rares et peu décisives’, heeft hij, als jongeling, van zijn eigen ziel getuigd4). Hij is geëindigd, er beslissende te mogen boeken. Men zij trotsch dan op zijn bezit, maar verheerlijke nimmer de helft van zijn wezen, die het hem gegeven is geworden eindelijk te ‘breidelen’.

R.J. Fruin, geb. 1823, overl. 1899........... 1865-1875

Studeert te Leiden; wordt daarna leeraar te Leiden, en is van 1860 tot 1894 hoogleeraar aldaar.

‘De resultaten van onze moderne geschiedvorsching zijn opgetast in artikels voor vakgenooten; waar zijn de schrijvers die ze tot het volk hebben gebracht? Groen heeft een in velen deele voortreffelijk handboek geschreven; geen boek: Maurice et Barnevelt is een strijdschrift. - Bakhuizen: vijf, zes artikelen, het zwierigste wat in de 19de eeuw over Nederlandsche geschiedenis geschreven is; geen boek. - Thorbecke: een uitnemende memorie over de bearbeiding der geschiedenis; een het historisch begrip sterk verhelderende commentaar op de Grondwet; vier, vijf critische opstellen van buitengemeene scherpte; maar alweder-
[p. 286]
om geen boek. Een boek hebben alleen geschreven Fruin en Huet. De Tien Jaren en Het Land van Rembrand worden keer op keer herdrukt en zullen het worden.
Toen Fruin, bij het nederleggen van zijn hoogleeraarsambt, op zijn werkzaamheid terugzag, heeft hij bejammerd dat hij op de Tien Jaren geen nieuwe werken van omvang en adem had doen volgen: “De neiging tot napluizen heeft mij afgeleid van het beschrijven der groote gebeurtenissen omtrent welker toedracht bij mij geen twijfel bestaat”1). Toch heeft hij opmerkelijken artistieken aanleg bezeten. “De historische compositie behaagt mij niet minder dan de kritiek der bronnen”2). Niet minder, maar ook niet méér. En dit laatste ware noodig geweest.
Materialen te keuren is het ondergeschikte werk; het doel moet zijn met de materialen iets te bouwen. Het ondergeschikte is bij Fruin het overheerschende geworden. Het Voorspel van den tachtigjarigen Oorlog “bespreekt” niet de eerste zes afleveringen van Motley's werk, het vervangt ze goeddeels. Nog een paar jaren van concentratie, en de fijnere toetsen zouden zijn aangebracht, de leemten gevuld, de lijnen doorgetrokken, de gestalte der jaren van 1559 tot 1567 voltooid. Een nauwelijks minder algemeen karakter bezit het over Leycester handelende opstel Motley's geschiedenis der Vereenigde Nederlanden. Het is boven het beoordeelde boek uitgegroeid. De schrijver is op drie vierde geweest van de studie voor een eigen boek. De man die in 1857 de Tien Jaren, in 1859 het Voorspel, in 1862 dit opstel over Leycester in het licht gaf, had, zonder zijn kracht te boven te gaan, vóór 1870 een “Geschiedenis van den tachtigjarigen oorlog tot het Bestand” te kunnen schrijven. Zoo ligt in de artikelen Willem III en zijn geheime onderhandelingen met Engeland (1864), De Schuld van Willem III aan den moord der gebroeders de Witt (1867), De Slag bij Saint-Denis (1877), Maria van Engeland (1886), Willem III in zijn verhouding tot Engeland (1889), de mogelijkheid opgesloten van een duurzaam werk over Willem III, minstens tot 1688 loopend. - Die De Jongelingsjaren van Gijsbert Karel van Hogendorp (1867) schrijven kon, had voor den patriottentijd méér kunnen doen. - Fruin is niet verder gekomen dan tot de erkenning, “dat een geschiedschrijver niet volstrekt ontbloot mag zijn van dichterlijke verbeelding”3). Hij is niet zonder die verbeelding.
Ongemengder bewondering valt licht aan het zesde tot negende deel der Verspreide Geschriften te beurt, die te zamen de studiën bevatten waarin Fruin de “neiging tot napluizen” botviert. Toonbeelden eener in hoofdzaak litterarische kritiek, die de vergelijking goed doorstaan met het beste wat de Leidsche philologische school heeft voortgebracht.... In de polemieken tegen Groen (1853 en 1854) herken ik niet geheel den rijpen Fruin van later. Hij ziet dan in den aanwas der anti-revolutionnaire partij het werk van “aanzienlijke en vrome mannen, die zich geroepen achten twist en tweedracht in Kerk en Staat te wekken, de burgers in revolutionnairen en anti-revolutionnairen te verdeelen en tegen elkander op te zetten”4). Dit is niet langer het geloof van den Fruin die in 1889 tot aanneming van de schoolwet-Mackay advi-
[p. 287]
seerde. - In Politieke Moraliteit treft onaangenaam de gelijkstelling van het bestaan van kamerclubs met “het schandelijk misbruik der correspondentiën van voorheen”1); opvatting die niet van diep nadenken over de levensvoorwaarden der parlementaire regeering getuigt. - Nederlands rechten en verplichtingen ten opzichte van Indië daarentegen (1865) is de voorbode van denkbeelden die thans eerst de overwinning bevechten. “Blijkt het gedurig duidelijker, dat het onrecht is wat wij tot nog toe hebben gepleegd, dan houd ik het Nederlandsche volk voor eerlijk genoeg om de waarheid te omhelzen en na te leven”2)....
De studie van het levende volk en zijn geschiedenis is voor maatschappelijke onbevangenheid een goede voedingsbodem. Wij moeten op Fruin's voetspoor vooruit; zóó namelijk, als ons voorgeschreven wordt door eigen scheppingsdrang en bewustzijn. Geen jeugd rijpt meer, dan die door geschiedschrijvers van haar eigen beweging is opgevoed’ (Colenbrander in Historie en Leven III 179; eene studie uit 1905).

J.A. Sillem, geb. 1840, overl. 1912.......... 1871-1894

Studeert te Leiden; bankier te Amsterdam; muziekliefhebber.

‘De mede-oprichter van het Concertgebouw, van het Burgerziekenhuis, het lid van Gedeputeerde Staten, de onbekrompen ondersteuner van een groot aantal instellingen van kunstzorg en weldadigheid, de goede burger, - in al die hoedanigheden zal hij te Amsterdam en daarbuiten niet licht vergeten worden.... Zijn proefschrift was het eerste en is het eenige gebleven wat over leven en werkzaamheid van Gogel van eenige waarde geschreven is... Het was een belofte; of die geheel gehouden is?.... Huet, is eene van die fantasiën3) die even kenmerkend zijn voor zijn groote kracht als voor zijn niet minder groote zwakte, is hem over zijn Valckenaer zeer hard gevallen, heeft het “tergend langdradig en mythologisch onbeduidend” genoemd. Langdradig is Huet's fantasie zeker niet; zij is zeer onderhoudend. Zij doet op Sillem's hoofd slagen nederkomen die eigenlijk op Valckenaer, en in hem op eene geheele periode van het Nederlandsche volk gemikt zijn.... De Valckenaer is zeker niet voldragen; zijn boek over Dirk van Hogendorp, minder hoog van eisch, is veel beter geslaagd.... Sillem placht zijn tijd te verdeelen tusschen kantoor, philanthropische en andere vergaderingen, en de studeerkamer... Had het leven er hem toe gebracht uitsluitend historicus te zijn, hij zou die functie dunkt mij niet kwalijk hebben vervuld. Thans zal hij in de herinnering blijven als een amateur van distinctie’ (Colenbrander, Gids 1912, II 549). - Quack heeft hem als vriend herdacht (Gids 1912, III 122).

Charles Boissevain, geb. 1842, overl. 1927.... 1872-1888

Lange jaren hoofdredacteur van het Handelsblad.

 

W.H. de Beaufort, geb. 1845, overl. 1918.... 1876-1894

Studeert te Utrecht; vestigt zich te Amsterdam; later op ‘den

[p. 288]

Treek’; 1877-1897 kamerlid; 1897-1901 minister van buitenlandsche zaken; 1905-1913 nogmaals kamerlid. - Schrijft Staatkundige en Geschiedkundige Opstellen.

‘Een leider was hij niet, maar een waarde, die zich in reserve hield... Kenmerk van zijn historischen arbeid is een groote finesse.... Hij weet er, met vaste kennis, zonder eenigen omhaal van geleerdheid, treffende dingen van te zeggen.... Eénmaal heeft hem een grootere opzet voor den geest gestaan. De arbeid, door hem besteed aan den herdruk der staatkundige opstellen van Buys, bracht hem op het denkbeeld, “dertig jaren uit onze geschiedenis, 1863-1893” te beschrijven.... Er is van dit werk niet meer dan een begin gereed gekomen, twee Gids-artikelen herdrukt in zijne Nieuwe Geschiedkundige Opstellen; zij omvatten de jaren 1863-1868. Toen hij zoo ver gevorderd was, trad de Beaufort in het ministerie-Pierson op, en na 1901 is de publicatie niet hervat. De hoedanigheid van het begin doet vermoeden dat wij hierbij veel hebben verloren....
In de toekomst van het wereldrecht heeft de Beaufort geloofd en is hij blijven gelooven.... In een artikel van October 1916 verwacht hij, als uitwerking van den oorlog, “een verzoenende stemming”. Breekt die aan, de menschheid zal omzien naar degenen die niet aan Europa getwijfeld hebben. In Asser verdween er een vóór, in de Beaufort een gedurende den oorlog. Zal dit optimisme aan de artikelen waarin hij zijn oorlogsindrukken verwerkte, beantwoorden? Wij mogen er ons nog niet zeker van houden; hiervan echter zijn wij zeker, dat een Nederlander, dien ook de besten uit het buitenland kenden en achtten, ons ontvallen is. Zonder ophouden moet Nederland er zulke voortbrengen. Naar welk recept? Het leven van de Beaufort schijnt dit antwoord te geven: werk aan uzelven, maar zoek uzelven niet; vroeg of laat wordt de gelegenheid geboden, u nuttig te maken voor anderen’ (Colenbrander in Gids 1918, II 185; vgl. een uitgebreider opstel in mijn Historie en Leven, III 3).

J.N. van Hall, geb. 1840, overl. 1918....... 1880-1915

Studeert te Utrecht; vestigt zich te Amsterdam; 1883-1902 lid van den gemeenteraad; 1895-1902 wethouder van onderwijs.

‘Tachtig jaren is voor een tijdschrift een hooge leeftijd. De Gids heeft dien mogen bereiken; waaraan dankt zij het? Mede hieraan, dat, tot tweemalen toe, gedurende een lange reeks van jaren, een man van smaak, ijver, opoffering, er zijn levenswerk van gemaakt heeft haar op peil te houden.
De eerste van die twee is Potgieter geweest. Het is niet hij alleen die De Gids opgekweekt heeft: van den Brink hielp dapper mede. Maar als hij in 1843 het land ruimt, laat hij Potgieter de vaders-zorgen en -lusten....
De levensperiode die met 1865 begint, is niet altijd met billijkheid beoordeeld. Het was de oude Gids niet meer, maar een goed tijdschrift bleef het.... Het geheele verschil had een diepen grond. De Gids onder Potgieter had willen inluiden en bevorderen eene nationale renaissance: Holland zich op te doen richten aan de steng, waar de
[p. 289]
kleuren van wapperden zijner zeventiende eeuw.... Wat Potgieter zijn letterkundige kritiek noemde, was geheel iets anders dan 't geen een later geslacht ons onder dien naam heeft doen verstaan. Het was volksopvoeding; werk van een (in den nationalen zin waarin de meester het alles begreep) sterk moraliseerende strekking. Het was tijd dat de catechisanten vrij gelaten werden om te toonen wat zij zelf vermochten, in hun eigen negentiende eeuw.... Wij betwijfelen of Huet, in de positie die Potgieter hem toedacht, dit leven, nu het niet langer te borrelen of te bruisen had, maar in een uitgeschuurde bedding zoo breed en krachtig mogelijk voort te vlieten, had kunnen besturen zooals Potgieter zich voorstelde dat een volksleven bestuurd worden kon: met de literarische tuchtroede.... Huet zou de kweekelingen niet tot Hollanders van de zeventiende eeuw hebben gestempeld, maar ze ontijdig hebben ontmunt tot kosmopolieten van de negentiende.... Welke figuur maakt, in Lidewijde, de brave heer Visscher naast Ruardi en Lefebvre? Wat voor toon klinkt ons tegen uit de Natonale Vertoogen? Niet die van den vader die het kind kastijdt, omdat hij het liefheeft.... Het Hollandsche volk van 1865 was nog zwak, als André. Het had bruggen te bouwen, als André. Bruggen die het verkeer openden met een ruimer wereld dan de nationale; een wereld waaruit Holland veel te ontvangen, maar waaraan het ook zijn beste zelf te geven had.... Of de uitwerping Huet geschaad heeft? In het stadje M. ware hij licht tot een wezen verzuurd, dat nimmer Het Land van Rembrand zou hebben geschreven.
De tijd na 1865 heeft niet in allen deele gehouden wat scheen te zijn beloofd. Er volgt, op een goed begin, spoedig matheid. Het tijdschrift boet in aan leven en gezag. Er is een tekort aan bezieling. Aan tucht ook. Geen aflevering bijna meer maakt den indruk van een gewild geheel. In deze periode is van Hall opgetreden. Niet onmiddellijk, maar zeer spoedig, is hem, als redacteur-secretaris, het dagelijksch bestuur toegevallen. Het gevolg is weldra zichtbaar in een betere samenstelling der afleveringen....
De herleving onzer letteren is niet tijdig door De Gids erkend. De zaak worde niet bemanteld. De Gids is de jeugd niet te gemoet gegaan.... Zij zag aanstonds de zwakheden, de overdrijving, het smakelooze waar nog nimmer hemelbestormers aan ontkwamen; zij zag alle bijzaken, maar in de schoonheid van den storm zelven juichte zij niet.... Doch zij bleef overeind toen het jongere orgaan uiteenspatte..... Heeft zij van de tachtigers er blijvend moeten missen, van de negentigers telt zij er ettelijke tot haar meest gewaardeerde medewerkers.... In een land dat men door literarische poging alleen zoekt te verheffen, kan een Gids ontstaan als die van 1837 of een Nieuwe Gids als die van 1885. Maar een geregenereerd land bloeit niet enkel in literatuur.... De Gids heeft zich, ja, de oogen moeten uitwrijven, maar ze voortaan goed open trachten te houden....
Sterke stroomingen wekken sterke tegenstroomingen... Eén tijdschrift zou niet meer alles kunnen opnemen wat zich gehoor verschaffen moet.... Het waren moeilijke jaren, niet omdat ons leven zoo arm was: omdat het zoo rijk werd.... Van zijn eigen bijdragen zullen in aandenken blijven zijn tooneelcritiek en zijn artikelen over buitenlandsche letterkunde, met name de Fransche... Hoe lief had hij zijn werk en die er hem in bijstonden. Hoe waardeerde hij allengs ieder frisch en jong
[p. 290]
talent.... Hij was dit alles onverzwakt tot in den hoogen ouderdom dien hij thans bereikt heeft....
De redactie, voor den tachtigsten jaargang aansprakelijk, stelt zich niet voor dat De Gids het Nederlandsche leven zal kunnen beheerschen; de tijd is voorbij dat één periodiek daarnaar streven kan. Zij wil dienen met de verantwoordelijkheid, die lange en grootendeels roemrijke traditie haar oplegt. Uit verantwoordelijkheid kunnen krachten worden geput. Wij zullen het beproeven’ (Bij het aftreden van Mr. J.N. van Hall, door de Redactie: 1916, I 1).
‘De functie die een zich verjongende maatschappij aan den drager der traditie oplegt, is even moeilijk als zij hoog is. Zij verlangt in hem een levendig besef van de waarde van het oude; een even ruim inzicht in de noodzaak van het nieuwe; - tact, lenigheid, afzwering van alle zelfbehagen; - hoogheid zonder stroefheid; - zich te kunnen verblijden in anderer, ook onverwachte, verdienste; - op onvermijdelijke dwalingen te kunnen terugkeeren; - zij verlangt geestelijke onbaatzuchtigheid.... Dank zij de zorg van van Hall is De Gids een tijdschrift gebleven dat in den dienst der sterker levende, rijker geschakeerde wereld dan waartoe het Nederland zijner jongelingsjaren was uitgegroeid, eene roeping kon blijven vinden.... Wanneer wij ondervinden dat aan hooge uiterlijke, hooger innerlijke beschaving beantwoordt, dan en daarom geven wij ons gewonnen.... Wij meenen zijnen geest te kennen; hij verbiedt ons de trompet te steken over wat hij goeds bedreef in stilte. In den omgang met zijn laatste medewerkers niet het minst onthulde zich de sierlijke mildheid van zijn wezen’ (Mr. J.N. van Hall ter gedachtenis, door de Redactie: 1918, IV 181).

J.H. Hooyer, geb. 1844, overl. 1892......... 1881-1892

Studeert te Leiden; 1873 Waalsch predikant te Dordrecht en daarna (1877) te Arnhem; legt 1880 zijn bediening neer. - Herdacht door van Hall in Gids 1892, IV 1892.

 

C. Honigh, geb. 1845, overl. 1896............ 1881-1892

Aanvankelijk bij het lager, vervolgens bij het middelbaar onderwijs geplaatst; 1895 directeur H.B.S. te Zwolle. Komt in 1896 door een rijwielongeluk om het leven.

 

W. van der Vlugt, geb. 1853, overl. 1928.... 1886-1892

Studeert te Leiden; wordt spoedig hoogleeraar aldaar.

‘Hij was een dier persoonlijkheden die tusschen twee tijdperken staan en reeds deswege een eigen plaats innemen.... Op meer dan een levensgebied, althans naar zijn gevoelen, kwam hij vrijwel alleen te staan.... Naar zijn politieke overtuiging een “liberaal” van afwijkende snit, voor wien “concessies” lafhartige beginselverzaking beteekenden,.... in religieuze gezindheid zeker niet “rechtzinnig” maar evenmin “mo-
[p. 291]
dern” in den geijkten zin des woords; het was hem niet mogelijk zich te voegen of te blijven in de bestaande partij-verbanden. Des te gemakkelijker was het hem, zich in zijn onderwijs en gesprekken geheel te geven.... Zijn oordeel over menschen en dingen deed een greep naar het innerlijke.... In de onkreukbaarheid van zijn wil en karakter lag het geheim, waarom hij bij velen in zoo hoog aanzien stond.... “Politicus” is hij wezenlijk nimmer geweest....; in vele opzichten een “sociaal” voelend mensch;.... in en achter de zichtbare en vergankelijke dingen zocht hij steeds het onzienlijke, het eeuwige dat volstrekte waarde heeft.... Hij noemde zich “een monist in hope” en uit die verwachting leefde hij.... Uit een Mennisten-geslacht gesproten, is hij met hart en ziel Doopsgezind geweest’ (Schepper, Gids 1929, II 320, III 60).

A.G. van Hamel, geb. 1842, overl. 1907 ..... 1887-1907

Studeert te Groningen en te Leiden; Waalsch predikant te Leeuwarden (1868) en te Rotterdam (1872); verlaat in 1879 zijn bediening; 1884 hoogleeraar in de fransche taal- en letterkunde te Groningen. - In de Gids van Mei 1907 herdacht door van Hall (bl. I) en later (1907, II 385) door Salverda de Grave.

 

W.G.C. Byvanck, geb. 1848, overl. 1925 .... 1893-1905

Studeert te Leiden; daarna leeraar aldaar; vervolgens eenigen tijd te Parijs; van 1895 tot 1921 directeur der Kon. Bibliotheek.

‘Hij was een schitterend vernuft, met minder ballast dan men zou kunnen wenschen. Bij een eerste ontmoeting imponeerde hij niet weinig. Hij wilde wel zoo, en hij kèn het. Hij had zooveel geest als zelden in een Nederlander wordt aangetroffen, en hij was gul met zijn geest.... Echter waren er die hem meden, uit vrees dat wat men gewonnen meende te hebben, weer mocht worden weggeglimlacht. Het was een lust hem eenigen tijd te volgen. Maar zijn veelzijdigheid werd hem de baas, en tot een voldragen kunstwerk is hij niet gekomen. De Jeugd van Isaac da Costa en Dorus' Droefheid zijn vol fijne toetsen en rake zetten, die niemand hem zou hebben nagedaan. Maar zelfs in de meest geslaagde van zijn werken, welk een ongelijkmatigheid. Hij neemt vaak genoegen met wat beneden zijn beste vermogens ligt.
Men moet Byvanck niet tot meester nemen; men moet, met oordeel des onderscheids, van hem genieten. Wat in zijn aard helder is en welbeperkt, heeft hij neiging te vertroebelen (Fruin); tot begrip van wat hard en vast is, is hij te zwevend en te week (Willem de Derde). Hij is een man van het nerveuse einde der negentiende eeuw; wat hij over de grimmige twintigste gezegd heeft, doet slechts naar ouder werk van hem terugverlangen.
Nukkig liep hij De Gids uit, om een bagatel; doch de diepere oorzaak strekte hem niet tot oneer. Een jonger geslacht lokte hem bijwijlen uit de tent, en hij koesterde geen wrok. Hij was een voorname natuur, en de stemming die zijn dood achterlaat ook bij die zich zelfstandig tegen-
[p. 292]
over hem moesten stellen, is vol erkenning en bewogenheid’ (Colenbrander in Gids 1926, I 1). - Als bibliothecaris herdacht hem van Wijk: Gids 1926, I 250.

A.A.W. Hubrecht, geb. 1853, overl. 1915.... 1893-1913

21 Oct. 1874 te Utrecht gepromoveerd (de eerste Nederlander die voor zijn zoölogische studiën naar Napels was getrokken); 1874-1882 conservator voor de visschen aan 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden; 1882 hoogleeraar te Utrecht.

‘Hij maakte zich warm om in Nederland den Midden-Europeeschen tijd ingevoerd te krijgen.... Hij sprak “zijn talen” even vlot als zijn moedertaal.... Op het internationale zoölogencongres te Leiden in 1895 sprak hij, als voorzitter der Ned. Dierkundige Vereeniging, de talrijke buitenlanders beurtelings in het Franch, Engelsch en Duitsch toe. Menigeen had gemeend dat een hunner landgenooten aan het woord was’ (G.C.J. Vosmaer in Gids 1915, II 193).

Zijn nu nog levende mederedacteuren hebben hem als een vlot en geestig man gekend.

 

P.W.A. Cort van der Linden, geb. 1846, overl. 1935 1894-1897

Studeert te Leiden; 1881 hoogleeraar te Groningen; 1891 hoogleeraar te Amsterdam; 1897-1901 minister van justitie, vervolgens lid van den Raad van State; 1913-1918 minister van binnenlandsche zaken; dan wederom lid van den Raad van State, tot zijn dood.

‘De overleden staatsman is er groot op gegaan, dat hij bij het uitbreken van den wereldoorlog de toebereidselen tot een grondwetsherziening, die algemeen mannenkiesrecht, de mogelijkheid van vrouwenkiesrecht, en de onderwijspacificatie brengen moest, niet heeft doen staken. Hij had voorzien, zeide hij in een interview, dat op de oorlogsperiode revolutiegevaar moest volgen, en wilde de revolutie vóór blijven. Door de grondwetsherziening van 1917 werd de aanleiding tot revolutie tijdig weggenomen.
Eén ding staat buiten deze overwegingen: de evenredige vertegenwoordiging, waartoe Cort van der Linden een staatscommissie instelde, die 24 Mei 1914 verslag uitbracht. Dat er in November 1918 in Nederland revolutie zou zijn uitgebroken als de grondwetsherziening van het vorige jaar eens geen evenredige vertegenwoordiging had voorgeschreven, zou kwalijk zijn vol te houden.
Huizinga, in de herziene uitgave van Nederlands Geestesmerk, noemt de leer waaruit de evenredige vertegenwoordiging voortsproot de ultrarationeele. Het is niet te loochenen dat Cort van der Linden daarin bevangen is geweest met alle markante Nederlanders van zijn tijd, van Houten uitgezonderd. Ondanks deze genereuse vergissing, ja misschien wel mede omdat hij er zich aan overgeven kon, zal men zich Cort van
[p. 293]
der Linden blijven herinneren. Hij kon zich boven de Nederlandsche partijen plaatsen en is nadat hij dit eenmaal gedaan had, nooit meer tot hun peil teruggezonken. Staatslieden van wie men dit zeggen kan hebben wij nooit te veel’ (Colenbrander, Gids 1935, III 271).

Louis Couperus, geb. 1863, overl. 1923 ........ 1894-1896

Dichter en romanschrijver.

‘Vóór hij Italië persoonlijk had bezocht, bezong hij het reeds in zijn verzen en verhalen, het Italië van Humanisme en Renaissance vooral. Later zou, door zijn jarenlang verblijf aldaar, in hem steeds sterker de behoefte zijn het verleden van Rome en Griekenland te herscheppen in kunstwerken. Dat hij La Tentation de Saint-Antoine vertaalde, is geen toeval. Het is de ontmoeting van een het fantastische beminnende geest met een verwante ziel.... Zo bevrijdt Couperus zich van de druk der kleine zielen, wier lotgevallen hij in vier delen beschreef....
In een brief aan zijn uitgever, de heer L.J. Veen, vertelt hij in 1904 hoe de Berg van Licht hem reeds tien jaren lang voor de geest speelde... Bij Couperus is Elagabalus een “déraciné”, een uit zijn landstreek gerukte Oosterling, die in Rome telkens het heimwee voelt krampen naar zijn dierbaar Syrië, waar hij gelukkig was in zijn tempel en zijn tuinen.... Telkens, bij de groeiende ongenade, waarin hij zinkt bij het romeinse volk, ziet hij in de verte van zijn herinnering Emesa opdoemen, het verloren paradijs.... In die visionnaire tafrelen bewonderen wij de grote verteller, de grootste verteller die Nederland ooit bezeten heeft....
Couperus vereenzelvigde zich met zijn keizertje, zoals ieder waarachtig kunstenaar dat doet met de personen die hij creëert. Het eigen leven wordt dan iets onwezenlijks, en alléén, in brandende realiteit, dat van zijn creatuur’ (P. Valkhoff, Gids 1936, I 357).

W.L.P.A. Molengraaff, geb. 1858, overl. 1931 1897-1912

Studeert te Leiden; van 1885 tot 1917 hoogleeraar te Utrecht; vestigt zich vervolgens te Rotterdam. - ‘Eenigszins stroef in den omgang’ (Jaarboek Rijksuniv. Utrecht 1930-'31).

‘Als jong professor te Utrecht heeft hij een actief aandeel genomen in de beweging om verandering te verkrijgen in het artikel van het Burgerlijk Wetboek, dat het onderzoek naar het vaderschap verbood.... In 1909 is de wet in het staatsblad verschenen, welke den man verplicht bij te dragen in de onderhoudskosten van het kind, dat hij buiten echt heeft verwekt.... In onze huwelijkswetten wilde Molengraaff de vrouw gelijke rechten geven als den man, en in de staatscommissie heeft hij behoord tot degenen, die dit in het ontwerp betreffende het huwelijksvermogensrecht wilden hebben vastgelegd’ (Mevr. Kappeyne van de Coppello-Wijgers; Gids 1931, IV 285).

G. Kalff, geb. 1856, overl. 1923 ............. 1897-1900

Studeert te Leiden; leeraar te Haarlem en te Amsterdam; 1895 hoogleeraar te Utrecht en 1901-1923 te Leiden.

‘Slechts vier jaar is hij in de Gids gebleven, door minder aangenaam
[p. 294]
blijkende ontmoeting met enkele Gids-collega's, dan wel eerst op papier geleken had; hij bleef echter tot 1913 medewerker... In 1914 werd mijn vader lid van de redactie der Vragen des Tijds.... Over 't algemeen staan zijn artikels in dit tijdschrift niet op 't peil zijner Gids-artikels. De gevorderde leeftijd openbaart zich in zekere breedsprakigheid’ (G. Kalff Jr. in zijn vaders levensbeschrijving, 1923).

R.P.J. Tutein Nolthenius, geb. 1851....... 1897-1919

Studeert te Delft; ingenieur bij den Rijkswaterstaat; 1902-1909 bankier te Amsterdam; later in Zwitserland gevestigd.

 

C. Th. van Deventer, geb. 1857, overl. 1915.... 1901-1915

Studeert te Leiden; 1880 naar Indië als ambtenaar (Ambon, Semarang) en vervolgens (1885) advocaat te Semarang; 1897 naar Amsterdam; vestigt zich 1898 in den Haag; schrijft Eereschuld (1899); 1905-1909 lid van de Tweede Kamer; 1911-1913 van de Eerste Kamer; van 1913 tot zijn dood opnieuw lid van de Tweede Kamer. - Oomzegger van Cd. Busken Huet.

‘Hem kon de Indische advocatenpractijk, die terecht of ten onrechte den naam heeft, adel van geest op eene zware proef te stellen, niet naar beneden halen. Een uitnemend intellect, een fijne smaak, warme belangstelling in wetenschap en kunst en in de maatschappelijke en staatkundige vraagstukken van den dag maakten, dat hij tijd te kort kwam om aan 't leven der menschen een zoo groot deel te nemen als hij begeerde. Verlossing van routinewerk was voor hem de voorwaarde om zijn geestelijk hoogtepunt te bereiken. De omstandigheden veroorloofden hem reeds op veertigjarigen leeftijd, bevrijd van alle opgedrongen sleur, zijn weg te gaan. Die weg werd hem gewezen door in langdurigen omgang gerijpte, maar toch van jeugdigen hartstocht gloeiende liefde voor Indië....
Van Deventer zou mij stellig hebben tegengesproken, indien hij mij had hooren beweren, dat de door hem gekozen uniform van vrijzinnig democraat hem niet paste. Eenmaal tot de ‘politiek’ gekomen, maakte hij ook daarmede vollen ernst.... Maar eene zuivere waardeering van hetgeen hij geweest is, heeft toch uit te gaan van het feit, dat Indië, hetwelk eigenlijk buiten de “politiek” behoort te blijven, hem in de “politiek” gebracht had en dat hij overigens van veel te edele geestelijke structuur was om zich in het krijgsgewoel der Tweede Kamer te wagen zonder een welbeproefd masker tegen de giftige gassen, die daar al lang vóór den wereldoorlog in gebruik waren.... Ethische politiek! Zoo noemden hij en Idenburg de richting, die wij ten aanzien van Indië behooren te volgen, in tegenstelling met de materialistische politiek onzer vaderen.... Het was zijne onwrikbare overtuiging, dat Nederland het nu nog in de hand heeft, zijn overzeesch gebied in geestelijken zin zóó in te lijven, dat pogingen van vreemden om zich daar in onze plaats te stellen, op de wederzijdsche sympathie zouden afstuiten....
Als landvoogd zou hij eene ellende beleefd hebben als waarvan hij in zijn vroegere leven zelfs niet had gedroomd.... Voor zijn moreele constitutie zou de strijd hoogst waarschijnlijk sloopend zijn geworden.
[p. 295]
Onvoltooid kan men zijn werk voor Indië niet noemen, al ontbreekt het schitterend slottooneel.... Hij heeft de voldoening mogen smaken, dat de koloniale ethiek het pleit gewonnen heeft’ (Snouck Hurgonje in Gids 1915, IV 422).
‘Men gevoelt welke hoofdbedenking tegen zijn Eereschuld is in te brengen. In hoeverre beginselen van private moraal overgebracht zullen worden op publiekrechtelijk terrein is niet enkel een zedelijk, het is noodzakelijkerwijze tevens een staatkundig vraagstuk. Tegenover een particulier dien men ontdekt benadeeld te hebben, komt enkel restitutieplicht te pas. Tegenover een benadeeld minderjarig volk heeft de tot beter inzicht gekomen voogd anders, en meer dan dien plicht te betrachten. Nederland had zich niet bovenal de vraag te stellen: “hoeveel contanten ben ik Indië schuldig?” maar “hoe breng ik Indië vooruit?”... Het middel waarin de groeiende belangenharmonie tot uiting heeft te komen, is de wetgeving die het europeesche kapitaal inscherpt welke voedingsplichten het tegenover de inlandsche gemeenschap waaronder het werkt, moet vervullen. Dit kardinale punt is door van Deventer in 1899 voorbijgezien; - later niet meer; en toen is hij geëindigd met de eereschuldcampagne te staken.... Een arrosement van 187 millioen, bij wijze van afrekening, ware voor Indië niet nuttig geweest. Men had door dat arrosement met Nederlands plicht niet afgerekend. Nederland had een toekomst te aanvaarden waarin zijn kapitaal niet langer naar Indië mocht worden gevoerd alleen om er zich vet te mesten; hoofdvraag werd nu, hoe het bemesten zou.... Nederland heeft van de “eereschuld” slechts een fractie betaald, doch tegelijk is een koers ingeslagen die het al of niet uitkeeren van het restant tot een onverschillige zaak maakt....
27 April 1915 stelde minister Pleyte hem de vraag, of het met zijn wenschen zou strooken, door den ministerraad voor eene benoeming tot gouverneur-generaal van Ned.-Indië bij de Kroon in aanmerking te worden gebracht?.... Van Deventer verzocht geen tijd van beraad. Hij wenschte de benoeming, innig en vurig.... 17 Mei bood hij den minister een regeeringsprogram: “Indië na den Oorlog”, aan1).... Eind Juni besloot de ministerraad, den heer Idenburg te vragen op welken datum hij wenschte te worden afgelost? Van Idenburg's antwoord heeft van Deventer geen kennis gehad, en eerst na zijn overlijden heeft de ministerraad over de keuze van den persoon beslist die tot gouverneur-generaal aan Hare Majesteit zou worden voorgedragen.... Hij zou zijn plicht nooit hebben verzaakt, daarvan ben ik zeker. Of hij altijd snel had kunnen doorzetten wat hij voor zijn plicht houden moest, daarvan minder. Wat deert het zijner gedachtenis?.... In Indië dreigde Nederland zijn geweten te verliezen: het heeft het in hem teruggevonden.
In den nacht van 20 op 21 September kreet hij het eensklaps uit van onduldbare pijn. Geneesheeren constateerden peritonitis.... 27 September overleed hij.... Groot was de schare, die naar Westerveld opging.... Het treffendst was de jonge Inlander, die de laatste spreker zou zijn, maar niet hoorbaar sprak; doch wij zagen hem overbuigen, in een houding die eerbied en dankbaarheid beter uitdrukten dan woorden zouden hebben gedaan, tot de baar “van Indië's vriend”, en die met bloemen dekken....
[p. 296]
Ik zie een begaafden jongen man naar Indië trekken, als veel anderen. Hem rijkdom winnen, als anderen. Op edel genot afgaan, als enkelen. Dan zie ik hoe hij, onbevredigd, zich en zijn middelen in dienst stelt van de hoogste taak waaraan de uit Indië teruggekeerde Nederlander reiken kan: het sterken van den ideëelen band tusschen moederland en kolonie. De onbezweken liefde waarmede hij ze vervuld heeft ten einde toe, heeft hem zóó singulier gemaakt, dat twee wereldstreken hem thans droevig missen. Een leven, tot zulken top gestegen zal vrucht blijven dragen’ (Colenbrander, Leven en Arbeid van C.Th. van Deventer).

H.T. Colenbrander, geb. 1871.............. 1906-

Studeert te Leiden; 1897 ambtenaar aan het Rijksarchief; 1918 hoogleeraar te Leiden.

 

E.J. de Meester, geb. 1860, overl. 1931...... 1908-1927

Journalist aan De Amsterdammer; correspondent van het Handelsblad te Parijs; verzorgt jaren lang de rubriek ‘Kunst en Letteren’ van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. - Romanschrijver.

‘Het valt moeilijk zich de rappe gestalte en de gespannen faunenkop, met drie spierwitte haarpluimen uit kin en slapen, in rust te denken en in stilte uitgestrekt. Men vraagt zich af, hoe de dood kans gezien heeft deze gezwindheid te achterhalen.... Dat hetgeen Tachtig bracht gemeen goed is geworden, is, in kunstopzicht, voor negen tiende te danken aan de Meester.... Als romanschrijver was hij realist. Het leven zooals het reilde en zeilde.... Dat hij aanvankelijk was wat men een pessimist noemt, berustte niet op een wijsgeerige overtuiging, maar kwam voort uit een verwilderenden angst, dat de hem omringende levensverschijnselen zooveel machtiger, barokker en breeder van zwaai waren dan zijn hart in de eerste helft van zijn leven bevatten kon.... Er kwam (later) orde, een zekere apartstelling van inzicht;.... en hij bespeurde dat het ondergaan dier innigste trillingen, waartoe een koude wereld het warme bloed kan aandrijven, geluk beteekende. Hoe onverzettelijk en meedoogenloos zich ook omstandigheden mogen voordoen, werp u er in. Hoe weerbaarder gij er u in werpt, hoe eer zal het u hebben toegewezen op de kleine wereld die uw eenig geluk kan uitmaken..... Ieder boek, iedere regel van de Meester heeft de echtheid van een “cri de coeur”.... De Meester, begonnen met het passief ingesteld overzicht van wetmatige milieu-beschrijving uit den tijd van Zola, heeft, enkel door te leven, zich doorgezet tot het actief bloedsbewustzijn dat misschien de kunst van onzen tijd kenmerkt..... Tenslotte heeft hij toch, misschien onwillens en onwetens, het geheim gevonden: dat het realisme zich het zuiverst uitdrukt niet door, maar binnen in het leven.... Nu gij stil geworden zijt, nu hooren wij u spreken’ (Redactie, 1931, II 279).

D. van Blom, geb. 1877.................... 1913-

Studeert te Leiden; 1901 hoofdredacteur van het Vaderland; 1907 hoogleeraar te Delft; 1916 hoogleeraar te Leiden.

[p. 297]

Ch.M. van Deventer, geb. 1860, overl. 1931.... 1914-1914

Studeert te Amsterdam; 1897-1909 leeraar te Batavia; sedert gevestigd te Amsterdam en eindelijk te Utrecht. - Natuurkundige; tegelijk litterator. - Broeder van C.Th. van Deventer.

 

Jan Veth, geb. 1864, overl. 1925.............. 1914-1925

Studeert aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam; als schilder en lithograaf gevestigd te Bussum en vervolgens te Amsterdam, waar hij lessen in de portretkunst geeft; vruchtbaar schrijver tevens.

‘Het kompleetst zag men hem wellicht als gastheer: voorgaand in gulle, door smaak betoomde plagerij; zich zonnende in de blijdschap van goeden huize die hij gevoelde en in ons anderen had aangestoken. Zóó zagen wij hem het laatst den 4den April van dit jaar. Hij zou ons - uitgestelde feestelijkheid, waarnaar hij uitgezien had met licht ongeduld - voor het eerst in zijn nieuw ingericht huis aan de Keizersgracht ontvangen. Zijne vrouw en dochter, zijn oudste schildervriend1) en diens vrouw zaten mede aan. Er trilde iets van gezamenlijk vergenoegen en onderling vertrouwen aan dien disch dat ik nooit vergaten zal. Een maand later kwamen wij weder bijeen, maar vonden Veth's aanschijn bewolkt. In Juni stelden wij onze vergadering uit, omdat Veth ziek was. Wij hebben hem niet wedergezien....
Veth was van de Tachtigers de eenige die negentigers niet teleurstelde.... Een gerijpte geest gedenkt zijn jonge streken, maar verafgoodt ze niet. Een deel van zijn glans is in Tachtig opgeplakt op eene verguldpartij.... Veth was van die partij niet. Hij sprak niet eeuwig over zichzelf; hij was zichzelf.... De kleinere geesten onder de mannen van Tachtig hebben hem dit nooit vergeven....
Geboren uit het goed-Hollandsche Dordt, uit een goed-Hollandsch nest, dat hem zin voor traditie meegaf, kwam hij als jongen naar Amsterdam.... Op de Academie, onder Allebé, maakte hij vrienden voor het leven.... De Haagsche school stond reeds op het uitbloeien; ruimzichtig hielp Allebé zijn leerlingen nieuwe wegen zoeken.... Veth kiest de in Nederland eenmaal zoo ruim beoefende, in de negentiende eeuw in verval geraakte kunst van het portret....
Een geregelde productie van geschilderde portretten van hooge kunstwaarde bestond in Nederland niet meer.... Van een groot aantal Nederlanders van zijn tijd heeft hij portretten en litho's nagelaten die niet slechts den omtrek van hun gelaat, maar hun geest voor ons bewaren. Hij was niet tevreden eer hij zijn sujetten geestelijk verstond.... Van zijn schilderijen zijn mij de oudere lang de liefste gebleven; later zijn zijne kleuren buitengemeen koel geworden; soms doen zij aan als eene abstractie. Toch ken ik er van dien lateren tijd die mij ondanks de koele kleur sterk hebben ontroerd....
Het was geen misvatting dat de Koninklijke Akademie van Wetenschappen Veth onder haar leden opnam. Hij wist verrassend veel, en zijn
[p. 298]
kennis was hem nooit dood bezit. De geschiedenis onzer schilderkunst heeft groote verplichtingen aan hem. Wat hij schreef over Dürer's Nederlandsche reis, over Dodoens, over de groote Haagsche meesters, over Rembrandt bovenal, zal steeds ons inzicht verhelderen. Hij heeft ons Israëls doen begrijpen als geen ander.... Veth was door en door maatschappelijk. Lieden die zich op hunne gaaf plachten te verheffen in plaats van er mede te dienen waren hem een gruwel.... Hij gaf graag meer dan hij nam.
Ook dichter was hij. Naast kracht was er in zijn wezen groote innigheid. Legt men zijne gedichten naar tijdsorde nevens elkander, dan is daarin een spiritualistische strekking onmiskenbaar, die aanhoudend sterker wordt; die worstelt met het uitdrukkingsmiddel der gebonden taal, door Veth minder beheerscht dan die van palet en stift, maar dat hij niet van zich verkrijgen kon, ongebruikt te laten. Werkzaam bleef nog die geest in het aangezicht van den dood.... Wij die achterblijven kunnen hem slechts danken voor zijn goede kameraadschap, velerhande prikkeling, en gulden trouw’ (Colenbrander, Gids 1925, III 153).

En, in zijn, meer bezonken, studie Leven en Werk van Jan Veth (1927), zeide Huizinga van hem:

‘Hij verbond zooveel in zich en rondom zich: kennis aan kunnen, belangstellingen aan inzichten, menschen aan menschen. Wie zich nu of later bezighoudt met de Nederlandsche beschaving van 1880 tot 1925 zal keer op keer en op allerlei gebied de figuur van Jan Veth aantreffen; in het gedrukte woord, in de scheppingen van zijn hand en in het spoor van zijn daden. Er was een groote eenheid in dit leven. Hij behoorde tot de vroeg volkomen gevormden. Na het tijdperk van zijn jeugd is er bij hem nog ontplooiing, steviging, rijping en bezinking, maar geen eigenlijke ontwikkeling, nog minder ommekeer. En toen het einde al nader was, dan iemand vermoedde, was er nog geen spoor van verflauwing of verstarring....
Wat Veth ontving, heeft hij teruggegeven: alles wat in hem was, zonder te sparen, aan ieder die het noodig had: zijn ongemeen vernuft, zijn toomelooze werkkracht en ijver, zijn nooit falende gaven van uitdrukking en afbeelding, zijn brandende belangstelling, zijn groot en open hart voor menschen en dingen. Hij heeft als schilder, als schrijver en als mensch gewekt en geleerd, getroost en geholpen.’

J. Huizinga, geb. 1872...................... 1916-1932

Studeert te Groningen; leeraar te Haarlem en privaat-docent te Amsterdam; 1904 hoogleeraar te Groningen en sedert 1915 te Leiden.

‘1 Januari 1933 zal Huizinga's naam van de buitenzijde van het schutblad van De Gids zijn verdwenen. Wij en hij zijn zeker: niet van de binnenzijde....
Huizinga uit ons midden te missen, beklemt ons. Zeventien jaar heeft hij aan het tijdroovende, niet altijd dankbare redactiewerk een aanzienlijk deel van zijn kracht en verantwoordelijkheidsgevoel, die groot zijn, besteed. Bij het klimmen der jaren wenscht hij in iets
[p. 299]
hooger mate vrij heer van zijn doen (en laten) te worden. Wat zeker aan de Nederlandsche cultuurbelangen ten goede zal komen; - ook door voortgezette medewerking aan De Gids. Bij het interne redactiewerk rest ons zijn voorbeeld, waarop wij dikwijls zullen terugzien.’ (Stemmen uit de Redactie; 1932, IV 251).

J.P. Kuenen, geb. 1866, overl. 1922.......... 1916-1922

Studeert te Leiden; hoogleeraar te Dundee en van 1907 tot zijn dood te Leiden.

‘Hij had de liefde van elken kring waarin hij zich bewoog.... Een blik, een lach, een luimig woord van hem vereenigde.... In zijn tegenwoordigheid kon men niet laag zijn. Een kloek verstand; rijker, zijn louter hart....
In snellen maar toch vasten gang verkortte de natuurkunde, in Kuenen's tijd, den afstand die haar van de geestelijke wetenschappen scheidde.... Ons publiek had vriendschap voor hem opgevat sedert zijn Natuurkunde en godsdienstig geloof (1911).... Met welgevallen zag het hem schrijven over relativiteit1) of ouderdom der aarde2).... Rotterdam zal heugenis houden van zijn voordrachten met proeven, de letterwereld zich herinneren met hoe eigen geluid hij deelnemen kon aan een Nederlandsche Dante-hulde3). Op den te weinig betreden grond van de geschiedenis der wetenschap in Nederland staat als een monument zijn Aandeel van Nederland in de ontwikkeling der Natuurkunde gedurende de laatste 150 jaar.... Een leven dat nog veel beloofde, is vóór den tijd gebroken’ (Redactie: Gids 1922, IV 154).

Jan Veth teekende in de November-Gids van 1922 zijn welgelijkend portret. Lorentz herdacht hem als natuurkundige (Gids 1922, IV 209) en haalt daarbij uit zijn Natuurwetenschap en godsdienstig geloof de woorden aan:

‘Onze geest bestaat niet uit een aantal afzonderlijke afdeelingen, die zich onafhankelijk van elkaar ontwikkelen. De godsdienstige mensch, die zich aan de natuurwetenschap wijdt, zal daarin ook voor zijn godsdienstige behoeften voldoening en versterking vinden. Het is niet alleen de naïeve beschouwer van den sterrenhemel of de wonderen van het microscoop, of hij die van populair wetenschappelijke werken en voordrachten kennis neemt, die tot hoogere stemmingen en gedachten kan worden opgevoerd: ook hij, die de verschijnselen tot het onderwerp van minutieuse studie maakt, kan datzelfde ondervinden’.

En zijn gewezen assistent Dr. W.J. de Haas (toen hoogleeraar te Groningen) getuigde van hem (Gids 1922, IV 443):

‘Ernstig en tegelijk opgewekt, tot vroolijk toe, was zijn karakter van die schoone tweeledigheid, die vriendschap rond zich werft. Kuenen was niet peinzend van aard, maar van eene voortdurende en wisselende opmerkzaamheid, en zoo had het gesprek met hem iets abrupts en levendigs. Daarbij lag over zijn uitingen en over zijn geheele wezen een

[p. 300]

edele menschelijkheid; steeds gevoelde ik dat hij iets afzonderlijks bezat; zijn hart en innerlijkheid waren jong gebleven.
Wij allen weten en gevoelen wel, dat naarmate wij ouder worden, de bron van het leven trager vloeit. Hare wateren worden troebeler; wij worden wereldwijzer. Dit gold - meen ik - niet voor Kuenen. Zijn gemoed was helder en ongerept; hij had de gaafheid en de nobele impulsen der jeugd behouden.... Zeldzame eerlijkheid was in hem met groote vriendelijkheid verbonden. En zoo ging van Kuenen een groote bekoring uit op zijne omgeving.’

A. Roland Holst, geb. 1888................ 1920-1933

Dichter.

 
‘'t Besef, hoe lang dat al geleden is,
 
maakt mij neerslachtig:
 
Mijn Zijn - althans van lijf en leden - is
 
van '88’.
 
(A. Roland Holst, Nov. 1936).

J.D. van der Waals Jr., geb. 1873.......... 1925-1933

Studeert te Amsterdam; 1903 hoogleeraar in de natuurkunde te Groningen; 1908 in hetzelfde vak te Amsterdam.

 

R.N. Roland Holst, geb. 1868.............. 1926-1933

Glasschilder; 1918 buitengewoon hoogleeraar aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam; van 1926 tot 1934 directeur van die instelling. - Oom van A. Roland Holst.

 

D. Crena de Iongh, geb. 1888.............. 1926-1933

Studeert te Leiden; 1925 directeur en vervolgens president der Ned. Handelmaatschappij.

 

M. Nijhoff, geb. 1894...................... 1926-1933

Studeert te Amsterdam. - Dichter.

 

J.W.F. Werumeus Buning, geb. 1891........ 1934-

Dichter en tooneelcriticus.

 

B.M. Telders, geb. 1903.................... 1934-

Studeert te Leiden; advocaat te 's-Gravenhage; 1931 hoogleeraar in het volkenrecht te Leiden.

 

J.H. Plantenga, geb. 1891................... 1934-

Studeert te Delft; 1928 directeur der Academie van Beeldende Kunsten te 's-Gravenhage.

[p. 301]

W. Asselbergs, geb. 1903.................... 1934-

Pseudo: Anton van Duinkerken. Letterkundige. Redacteur van De Tijd.

 

E.J. Dijksterhuis, geb. 1892................ 1934-

Studeert te Groningen; leeraar te Tilburg; 1932 privaatdocent in de geschiedenis der wiskunde te Leiden.

 

Vijf nieuwe redacteuren traden dus in 1934 op. Naar aanleiding daarvan schreef de redactie (Gids 1934, I 1):

De Gids verschijnt in nieuwe letter, met nieuwen omslag, en met op dien omslag nieuwe naast oude namen. Onveranderd blijft de bedoeling, een algemeen, niet aan partij of leeftijdsklasse gebonden, orgaan ten dienste der Nederlandsche cultuur te zijn. Wat er goeds in het verleden van het tijdschrift geweest is, hopen wij ten voorbeeld te nemen in een tijd die zeker aan traditie geen uitsluitend gezag zal vermogen toe te kennen, maar hare medewerking gebruiken kan.’

H.T. Colenbrander