De Gids. Jaargang 102


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 102. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1938


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 236]

Bibliographie

Franz Rosenzweig, Kleinere Schriften. - Berlin 1937.

De geschriften van den joodschen denker Franz Rosenzweig zijn ten onzent te weinig bekend. Men kent in hegelsche, staatsrechtelijke kringen hoogstens zijn beroemd geworden dissertatie ‘Hegel und der Staat’, in judaïsche, theologisch-filosofische zijn hoofdwerk ‘Der Stern der Erlösung’, men kent echter nauwelijks zijn grandiose Bijbelvertaling (samen met Buber, die haar na Rosenzweig's dood alleen voortzet), noch deze ‘Kleinere Schriften’, noch zijn ‘Briefe’, waarvan de lectuur de ontmoeting beteekent met een uiterst boeiende persoonlijkheid.

Waardevol zijn namelijk zijn geschriften niet in de eerste plaats door hun beteekenis als vakwerk op een beperkt specialistisch terrein, hoewel zij den lezer die op die gebieden niet thuis is wellicht niet onmiddellijk toegankelijk zijn, maar minstens zoozeer door den ongemeen sterken, levenden, markanten man die eruit spreekt. Rosenzweig was bovendien iemand die, zonder een zweem van populaire vulgarisatie, appelleerde aan het gezonde menschenverstand en ook daardoor een van de menschen die de filosofie wilden verlossen uit haar levensvreemd isolement. Hij inaugureerde mede ‘das neue Denken’, dat sinds Nietzsche het denken in hermetisch gesloten systemen den oorlog had verklaard, bevrijdende wegen insloeg. Ik doel hier niet op de omgekeerdidealistische stroomingen der levensfilosofie, struiptrekkingen van een bovendien nog gehalveerd-opgevatte romantiek, maar op de denkwijzen die zonder zich van te voren vast te leggen op schema's - en in dit verband kan ook de chaos een vooropgezet schema zijn - uitgaan van de totale gegeven realiteit.

De inhoud der ‘Kleinere Schriften’ is van zeer uiteenloopenden aard. Voor een deel zijn de stukken aan problemen gewijd, die weliswaar teekenend voor Rosenzweig's belangstelling zijn en voor den tijd die hen heeft gesteld, maar die op zichzelf voor ons toch veel aan waarde hebben ingeboet omdat zij kwesties betreffen die te zeer gebonden blijken aan toestanden tijdens Rosenzweigs leven († 1929), van politieken en paedagogischen aard, ten nauwste verbonden met de situatie der Joden in Duitschland voor '33. Hierdoor lijken mij de afdeelingen ‘Vom jüdischen Sein’, ‘Zur jüdischen Erziehung’ en ‘Zeit- und Bildungsfragen’ voor den tegenwoordigen, niet-joodschen hollandschen lezer van minder belang dan de rest.

Van eminente algemeene beteekenis zijn echter de afdeelingen ‘Sprache und Gestalt der “Schrift”’, ‘Zu Uebersetzungen’ en ‘Vom alten zum neuen Denken’. De stukken der eerste twee afdeelingen zijn ook

[p. 237]

daarom van zooveel belang omdat zij berusten op Rosenzweigs practijk als vertaler, die der tweede vooral door een drietal artikelen over Hermann Cohen en een hoogstbelangwekkende beschouwing over ‘Das älteste Systemprogramm des deutschen Idealismus’, een langen tijd aan Hegel toegeschreven concept, dat echter een door Hegel gecopieerd stuk van Schelling bleek te zijn, met een eigenaardig Hölderlin-achtigen inslag, die voor sommigen aanleiding werd den dichter voor den auteur aan te zien.

Men kan slechts hopen dat het Schocken-Verlag, dat de ‘Kleinere Schriften’ geheel als de ‘Briefe’ onbekrompen en smaakvol uitgaf, te zijner tijd ook tot een (her-)uitgave in gelijke gedaante van ‘Hegel und der Staat’ en ‘Der Stern der Erlösung’ zal kunnen overgaan.

 

H. Marsman

Emil Dürr, Jacob Burckhardt als politischer Publizist, Aus dem Nachlasz E. Dürrs herausgegeben von Werner Kaegi. - Fretz und Wasmuth, Zürich 1937.

Geen volle twee jaar heeft Burckhardt's werkzaamheid als politiek publicist geduurd. Hij was er in wezen de man niet voor. Zijn voorliefde voor beschouwelijke afzijdigheid, voor rust, onbekendheid en een aristocratisch toeschouwerschap maakten hem al bijzonder ongeschikt om, bovendien nog in de uiterst bewogen zwitsersche jaren 1844-'45, zich te mengen in het politieke leven van dat land. Hij was zeer jong bovendien - zes-en-twintig - en zijn geringe vertrouwdheid met de zwitsersche toestanden, zijn gemis aan politiek-journalistieke geschooldheid leidden er toe dat het schrijven van het politiek hoofdartikel voor de ‘Baseler Zeitung’ hem al spoedig uit handen genomen werd. Wel bleef hij doorgaan met voor de ‘Kölnische Zeitung’ brieven te schrijven en deze zijn het voornaamste bestanddeel geworden van de ‘Zeitungsberichte’ die Emil Dürr nog bij zijn leven verzameld had. Zooals Kaegi terecht in zijn ‘Nachwort des Herausgebers’ opmerkt, was het een moeilijke taak uit tal van berichten, notities, korte beschouwingen e.d. die, hoewel anoniem, duidelijk van Burckhardt als redacteur afkomstig zijn, een keuze te doen. Men nam nu slechts enkele politieke hoofdartikelen uit de ‘Baseler Zeitung’ en verder de brieven aan de ‘Kölnische’, waarvan de herkomst uit Burckhardt's pen absoluut vaststaat.

Gelijk Dürr in zijn inleiding aanstipt zijn deze artikelen en brieven vooral daarom van belang omdat zij aantoonen hoe de meeningen en gevoelens, die den lateren Burckhardt ten aanzien van de europeesche politiek en haar toekomst hebben beheerscht, in kiem reeds in die stukken uit zijn eersten tijd zijn te vinden. Dezelfde afkeer van het illegitieme, van massabewegingen, van het toenmalige radicalisme eenerzijds en het ultramontanisme aan den anderen kant. Reeds toen voelde hij zich, in zijn aanhankelijkheid aan de burgerlijke-aristocratische waarden, aan de gematigd-conservatieve beginselen van zijn tijd, bekneld raken tusschen twee extremismen, die bij alle verschil, één ding gemeen hadden: verzet tègen het bestaande en een verlangen naar een plotselinge, bevrijdende wijziging in staatsrechte-

[p. 238]

lijken, politiek-economischen en religieuzen zin. De impasse, de machteloosheid, waarin Burckhardt en zijn geestverwanten zich reeds in die jaren bevonden, heeft niet slechts zijn leven lang geduurd, doch vertoont leerzame en pijnlijke analogieën met de situatie van hen, die in onzen tijd niet verpletterd wenschen te worden door een der autoritaire of totalitaire extremen. Leerzaam - ook Dürr wijst er op - is de analogie ook in dezen zin, dat Burckhardts standpunt tot een dadenloosheid kan leiden en misschien tegenover de politiek van het voldongen feit zelfs moet leiden, die een slechte beschermster is voor het behoud der toestanden waaraan voor de middenpartijen het lot der cultuur ook in de toekomst afhankelijk is. Dadenloosheid op dat gebied van de daad bij uitnemendheid dat politiek en zelfs geschiedenis heet, leidt onherroepelijk tot verval. Vandaar dat men de beginselen die men voorstaat niet beter verdedigt dan door hen daadwerkelijk te doen ingrijpen in de realiteit, wat zij daarbij dan ook aan z.g. zuiverheid mogen verliezen. Het gaat niet om dat soort zuiverheid, het gaat om een maximum van leefbaar leven en principes verouderden met den tijd waarin zij ontstaan. Tegenover Burckhardt's a-politiek toeschouwerschap stelle men Schelers ‘politiek als principieel opportunisme’.

 

H. Marsman

Pieter Langendijk, De Wiskunstenaars of 't Gevlugte Juffertje. Toegelicht door G.W. Wolthuis. - Amsterdam, J.M. Meulenhoff. Zonder jaartal. 116 blz.

Deze editie van Langendijk's bekende kluchtspel wordt voorafgegaan door een uitvoerige inleiding, waarin de bewerker aan de hand van talrijke curieuse documenten een levendigen indruk geeft van de zonderlinge zeden, die er in de zeventiende eeuw onder de cijfermeesters, landmeters en geometristen heerschten, van de felheid van hun twisten en de ruwheid van hun toon. Hij gaat daarbij zelfs terug tot den strijd van Ludolf van Ceulen met Willem Goudaen, maar besteedt toch het grootste deel van zijn plaatsruimte aan een heftig krakeel van lateren datum, waarover hij in een zevental pamfletten uit de jaren 1663-64 de inlichtingen vond. Zijn conclusie, dat de eigenaardigheden der wiskunstenaars alle aanleiding tot hekeling gaven en dat Langendijk door de strijdschriften van zijn tijd op het denkbeeld zal zijn gekomen, in zijn stuk twee van dergelijke lieden ten tooneele te voeren, lijkt alleszins gemotiveerd, al zou men gaarne verwezen hebben gezien naar voorbeelden, die in 1715 nog actueel konden heeten.

De bewerker gaf voorts een zeer overtuigende emendatie van een in den overgeleverden tekst onbegrijpelijke passage (vs. 536-40) en lichtte het stuk in talrijke noten zorgvuldig toe. Wat hij daarbij over de discussie tusschen Urinaal en Raasbollius schrijft, is weliswaar in hoofdzaak juist, maar kan toch niet in alle opzichten bevredigen. De omschrijving, die hij op blz. 112 ter toelichting van vs. 270-71 van het stelsel van Ptolemaeus geeft, slaat meer op dat van Eudoxos; ook krijgt men wel eens den indruk, dat hij geneigd is, de aangevoerde argumenten al te weinig au sérieux te nemen; het lijkt geenszins uitgesloten, dat men ze alle zou kunnen terugbrengen tot schrijvers van een vrij wat hooger peil dan de door hem geciteerde Verqualje.

E.J.D.

[p. 239]

G.T. Garrat, Mussolini's Roman Empire. - Penguin Books, 1938.

‘We may take it,’ zegt de heer Garrat, ‘that nearly all future wars will begin in the same way - intensive propaganda and bribery to build up some semblance of a party or a minority in revolt, followed by a military expedition, or more probably by the sudden destruction of some large town.’ (blz. 19). Ook zegt hij: ‘It would seem as if a kind of political Gresham's Law must hold, and bad governments gradually but inevitably displace good ones’ (blz. 24). ‘They convinced me that the destruction of an independent government and the reduction of the people to the dead level of a subject race was a complete tragedy - ‘one wrong more to man, one more insult to God’ (blz. 45).

‘There are no vital British interests,’ zeide een aan het Lagerhuis medegedeeld verslag, ‘in Abyssinia or adjoining countries such as to necessitate British resistance to an Italian conquest of Abyssinia’ (blz. 49). ‘Whitehall,’ zegt Garrat ter informatie, ‘is apt to look upon the world as a naughty family, and England as the all-seeing Mother who arranges that each member ultimately gets what he deserves’ (blz. 50). En zoo heeft dan Mussolini tegen Abessinië zijn gang kunnen gaan zonder dat de Volkenbond anders dan met economische sanctiën ingreep (en petroleumsanctiën mochten er nog niet eens bij).

‘Fascism, of course, completely dominates General Franco's territory’ (blz. 133). ‘German permeation was arranged through her consuls and the Embassy’ (blz. 136). ‘Signor Mussolini began his “permeation” about the same time’ (blz. 136). ‘On July 17th, 1936, an unknown number of 'planes belonging to the Italian Air Force flew over Tunisia into Spanish Morocco’ (blz. 145). ‘On the 19th a cruiser from Morocco began a bombardement of Algesiras’ (blz. 147). ‘General Franco's coup d'état failed in the two great cities of Madrid and Barcelona’ (blz. 159). ‘The British Government were driven into a long series of subterfuges and deceptions, for which it was necessary to distort facts, make mockery of their protestations of neutrality, and hide or ignore unpleasant incidents - to deny the activities of Italian submarines in the Mediterranean, just as they had protested their ignorance of the use of poison-gas in Ethiopia - incidents which Italy hardly troubled to conceal’ (blz. 168). ‘The Foreign Office succeeded in getting the Cabinet to accept their policy of “isolating” the Spanish war, as if the unfortunate country was suffering from some disease, a disease from which it would probably recover if left alone. The policy was based on a complete misunderstanding of the revolt, of its origin, and the extent to which foreign Powers were involved’ (blz. 173). ‘Some 10.000 Italians were landed at Cadiz between February 22nd and 28th’ (blz. 186). ‘The German legion, numbering around 10.000 men, made up of regelar German army units, can by no euphemism be described as volunteers, as most of the Reichswehr soldiers assigned to this duty did not know where they were bound for until they were aboard ship’ (blz. 222).

‘Hypocrisy is likely to play a large part in the new internationalism....Democracy will fail, and deserve to fail unless those people in Western Europa and America, who still have the free use of their intelligence, will insist on begin told the truth.... The actual result of British policy has been to disarm men fighting for their country and

[p. 240]

their liberty.... The exposure of certain sinister influences is the first step towards a return to the decent sanity for which our country was once famous.’

C.

Geneviève Tabouis, Blackmail or War. - Penguin Books, 1938.

Een waarschuwing aan de westersche democratieën. ‘Perhaps war does not pay, but blackmail, based on the threat of war, certainly does.... In France, war is not feared, but hated. Public opinion takes the point of view that war, which may perhaps be inevitable, would involve the utter ruin of our civilisation. Hence what must be done at any cost is to gain time by favouring every possible concession’ (blz. 8).

‘In the course of the last few months Rome and Berlin have shown enormous skill in levying blackmail based upon the threat of war. As a result, the public opinion of the democratic great powers has been led to suppose that Europe is on the verge of a general conflict’ (blz. 217). ‘The frantic process of armament both in Germany and Italy has attained proportions by which the British and French Governments might well be seriously alarmed’ (blz. 218).

‘The democracies must not allow matters to become worse and worse. Their duty is to set up staunchly a Peace Front for all to see, by co-ordinating their diplomatic activities and strengthening their military resources.... Too often in actual practice there is a divergence of views as to the methods of putting it into effect.... They offer loopholes for trickery, of which Rome and Berlin are not slow to take advantage. In order to foil these attempts, there ought to be frank and continuous consultation between London, Paris and Moscow, and the sequel to it should be not speeches but deeds’ (blz. 250).

C.

H. Kraemer, The Christian Message in a non-Christian world. - The Edinburgh House Press, 1938.

De nieuwe Leidsche hoogleeraar heeft een zeer kloek werk verricht, dat tegelijk de missie ten goede komt en degenen die tot het Christendom zullen moeten worden bekeerd. Hij is dit werk evenwel niet in een hoera-stemming begonnen: ‘The general trend of events in the world necessarily affects one as gloomy and dark’ (blz. 1).... ‘Knowingly or unknowingly, everybody is forced to think and live in terms of the world, and not only in terms of his own country or community’ (blz. 2).... ‘Localism or regionalism is definitely destroyed and has given way to a single planetary world’ (blz. 3).

‘They take it as a foregone conclusion that God is dead’ (blz. 7), doch hoe zou dit zijn? ‘The world bristles with idealisms, noble and ridiculous, pure and demonic, because man cannot live without them. He is an amazingly fertile creator of idealisms, for without them he starves and degenerates’ (blz. 8).... ‘The Christian Church, religiously speaking, in the West as well as in the Eeast is standing in a pagan, non-Christian world, and has again to consider the whole world its mission field, not in the rhetorical but in the literal sense of the word’ (blz. 16).

[p. 241]

‘The missionary enterprise was and is and will be a work full of human faultiness, error, limitation and sin. It has constantly to place itself under the judgment of God,.... for the corruption of the best is the worst’ (blz. 34). ‘The Christian Church is not at the end of its missionary enterprise, but just at its beginning’ (blz. 40).

‘God's holy condemnation of sin and the sinner is a sign of His love, because disregarding the reality of sin would be indulgence, not love. It would mean destroying holiness, on which depends the validity of all moral life..... To be “Children of God” is not a birthright; it is a gift and a grace’ (blz. 79).

Dharma means the peculiar type of behaviour that is one's cosmically and socially predestined lot’ (blz. 159). ‘The most characteristic and indispensable attribute of a Hindu is to live according to the dharma of his caste’ (blz. 162). ‘Buddhism was expelled from the house of Hinduism by virtue of its having a different dharma, which excluded conformity’ (blz. 173).

‘Religion largely passes for superstition and an antiquated view of life and the world. There are people who enjoy their newly-won liberty through an attitude of defiant atheism. Julian Huxley and Bertrand Russell are their favourite authors.... The great distance that so often separates the reasoning and the emotional realm in the human mind causes all over the world the well-known phenomenon of the harbouring of two incompatible worlds in one mind. This phenomeon is at present very common’ (blz. 239).

‘The New Life Movement, inaugurated in 1934 by Generalissimo Chiang Kai-shek, is one of the clearest indications that China is desperately trying to rediscover new stability, now that its ship of life has become cut off from its moorings.... Chiang Kai-shek has defined the weak side of China as “its lack of sincerity and enthusiasm”.... The New Life Movement is founded on the four ancient Chinese virtues: li (regulated attitude), i (right conduct), lien (clear discrimination and honesty) and chih (true self-consciousness). Its purpose is national regeneration in every sphere of life’ (blz. 252).

‘Buddhism is now, like Christian missions, equipped with Young Men's Associations, Sunday Schools, a Salvation Army, a Federation of Sects, Street and Radio Preachings. A Kingdom of God Movement was planned in 1934; it develops an amazing literary and publicity activity; social service is continuously stressed, and Buddhism is recommended as a religion working for social happiness and betterment’ (blz. 264).

‘The opening up of the world by Western penetration paved the way for Islam in Africa and in many parts of pagan Asia, because there the two vigorously missionary religions among the world religions, Islam and Christianity, appeared on the scene. In the very near future Africa and those parts of Asia (especially the Dutch East Indies), which were formerly occupied by the various tribal religions, will be wholly ruled by the two great religions, Christianity and Islam, if, at any rate, the possibility of the rise of an irreligious region of the world is excluded. The crumbling of the “primitive” tribal religions has become for Islam the great occasion of its extension’ (blz. 269).

‘Surrender to Christ, belief in Him and allegiance to the prophetic religion of Biblical realism mean in the first place a revolution, a total

[p. 242]

rupture with one's religious past, because it presupposes conversion in the deepest sense of the word’ (blz. 307).

De Duitsche zendelingen onderscheiden tusschen Einzelbekehrung en Volkschristianisierung. ‘It is, however, safe to say that the trend of missionary thinking remained and remains individualistic, because conscious European thinking was and still is individualistic’ (blz. 349).

In een epiloog geeft Kraemer weer wat hem tot zijn boek bewogen heeft. ‘In the Middle Ages’, zegt hij, ‘when Christianity could recruit a great army of missionaries from the monasteries, it spread as a civilizing and religious power, despite the fact that there were many obstructive forces. In the first ages, when there was no systematic missionary work because the Roman State did not permit the preaching of the Gospel, Christianity worked its way by the courageous witness, the quality of life and the simple fact of maintaining a vigorous Christian community-life. The heartening lesson is that the Gospel can spread under any circumstances, provided a living and ardent faith burns in the hearts of men.... Theology, history, psychology, anthropology must be exploited to achieve one aim and one aim only: to be a better instrument in conveying the conviction that God is speaking in Jesus Christ His decisive Word to individuals, nations, peoples, cultures and races, without any distinction. The undying fire, however, without which all our endeavours are nothing and all our missionary enthusiasm is powerless, is only kindled by the faith and prayer which are born from the vision of the triumphant Divine Love that burns in the heart of the Universe and which became incarnated in Jesus Christ, our Lord’ (blz. 445).

C.

Dr. W.L. Valk, De beheersching der wereldeconomie; een onderzoek betreffende de voorwaarden van stabiele welvaart en wereldvrede. - Uitgeversmaatschappij ‘De Struisvogel’, Den Haag, 1937.

Het is de vraag, of de soort deugt, waartoe dit boek ruiterlijk erkent te behooren en inderdaad volop behoort; of het boek zelf niet heel opmerkelijk en verdienstelijk is, staat buiten geding.

Over beide, de soort en dit haar exemplaar, eenige opmerkingen.

De soort. Het boek is een waschechte utopie; ook wil het dit zijn. Hier reeds opent zich de deur voor verschil van inzicht tusschen schrijver en recensent. Dr. Valk verklaart (blz. 11) onzen ‘tijd rijp voor eerherstel van de utopisten’, van de maatschappelijke plannenmakerij, omdat, zegt hij, ‘de aard der plannen is veranderd en nuchtere rekensommen zijn in de plaats gekomen van de fantastische en soms zeer vage en weinig samenhangende droomen van vroegere ontwerpers, die het utopisme zijn slechten roep bezorgden’. En de aanspraak dezer moderne, nuchter rekenende utopisten om te worden gehoord en als iets anders dan een soort romanschrijvers te worden beschouwd, zij steunt, verklaart dr. Valk (blz. 31, met soortgelijke uitspraken op tal van bladzijden) hierop, dat de wetenschap der economie, schoon pas ‘in de laatste jaren’, het nu toch zoover heeft gebracht, dat zij ‘de practijk op de voornaamste gebieden onmiddellijk assistentie verleenen kan’. Ook deze uitspraak is van utopisme doordrenkt; zouden we, is men geneigd te vragen, niet verstandig doen, nog eenige jaren te wachten

[p. 243]

op eenstemmigheid tusschen economisten onderling, waarin zich immers die betrekkelijke graad van rijpte der economie zal moeten weerspiegelen?

Het boek zelf is een utopie alvast uit dezen hoofde, dat het een pasklare schets van ‘ordening’ der gansche wereld voor een nabijzijnde toekomst geeft en ‘werk voor de arbeiders, zekerheid voor de beleggers, centraal gezag bij maximale vrijheid, vrede en goede wil onder de volken, welvaart voor allen’ belooft (blz. 3). Voor de diagnose ‘utopie’ zijn deze symptomatische aanwijzingen afdoende.

Het boek is een utopie nog in andere opzichten. Het stelt enkele voorwaarden voor de verwezenlijking van het beeld, waarin het zijn wereld van morgen goot: ‘een religieus réveil’ acht het hiertoe (blz. 16) ‘een onmisbare voorwaarde’ en ‘volksvoorlichting en de verheffing van het volksinzicht (moeten, zegt blz. 28) aan ieder opbouwend politiek werk vooraf gaan’; slag op slag, tenminste zestien keeren en in evenzoovele toonaarden, wordt verzekerd, dat internationale samenwerking onmisbaar is voor slagen van het hier ontvouwde plan. Bovendien heeft het dringende haast: ‘het is (toch) waarschijnlijk, dat omstreeks 1940 een nieuwe crisis dreigt en het oorlogsgevaar manifesteert zich reeds iederen dag’; dus moet voordien de ‘wereldbeweging’ geboren zijn, ‘die op niets meer of minder gericht is dan het in de macht krijgen van alle excessieve maatschappelijke bewegingen’ (blz. 169); gelukt dit niet, dan, zoo waarschuwde reeds blz. 8, vervalt de menschheid in ‘chaos en verwildering’. Of men zich niet reppen moet met de lezing eerst van het nederlandsch geschrift, met de vertaling vervolgens in een aantal wereldtalen!

Er zullen zijn, die na dit begin van kennismaking al genoeg van het boek hebben en voldoende ervan meenen te weten om van verdere kennismaking zichzelven te ontslaan; de ‘soort’ is zoo markant, dat het exemplaar van de soort verder niet interesseert.

Dit slag lezers zou gelijk hebben in negenennegentig van de honderd gevallen. Echter is hier het geval van één op de honderd aanwezig, waarin zij dwalen: het geval van een boek, matig van omvang en zoo voortreffelijk en bevattelijk geschreven, met zooveel talent gecomponeerd, dat tegen die utopie-bezwaren een nog zwaarder tegenwicht oprijst. Dr. Valk stond, in engeren kring, reeds bekend als een scherp theoretisch-economisch denker; thans heeft hij zich als popularisator in den besten zin ontpopt.

Waarin zit dan, afgezien nu verder van zijn ‘soort’, de verdienste van het boek zelf?

Niet enkel of vooral hierin, dat (blz. 5) ‘de conclusies van twee decenniën van moeizamen denkarbeid’ erin zijn neergelegd; noch hierin, dat het ons wil zeggen, hoe het kan en hoe het moet, zal niet de wereld moord begaan aan welvaart en beschaving. Dat het de menschelijke samenleving zich ingrijpend wil laten herzien, wat is hierin het nieuwe?

Ingrijpend herzien willen zoovelen; bij wie sluit Valk zich aan? Bij niemand sluit Valk zich aan. Verkondigt hij dan nooit gehoorde denkbeelden? Misschien is van elk zijner denkbeelden aan te wijzen, dat reeds een ander het verkondigd heeft. Neen, de beteekenis van zijn boek ligt hierin, dat hij met vasten greep nieuw groepeert en dermate anders groepeert dan hem door anderen was voorgedaan, dat in het resultaat welhaast elke richting zich herkent in dezen of genen trek, maar geen enkele ten voeten uit.

[p. 244]

Valk een eclecticus? Als men wil, ja, maar dan in den letterlijksten zin van keur-meester, van een denker, die meesterlijk schift en kiest en die bouwmeester daarenboven blijkt.

Er zit socialisme in dit plan van ordening, er zitten denkbeelden uit pauselijke encyclieken in, er zitten dictatuurgedachten in, evengoed als liberalisme en democratie. Een kunstenaar was noodig om uit dit alles een geheel te smeden, dat niet vloekt. Vloeken nu doet dit weloverwogen en evenwichtig plan nergens.

Men kan het niet kort navertellen. Het boek zelf geeft eenige samenvattingen, die tot overschrijven verlokken; aan deze verleiding is hier weerstand geboden; die samenvattingen zijn toegeknoopt betoog, maar het betoog (waarop het aankomt!) raakt in den knoop verborgen. Ook is het beter, niemand een excuus tot niet-lezen van Valk zelf te geven.

Zijn grootscheepsch plan is van een pretentie, die haar weerga zoekt. Aan de wereld wordt niets minder dan haar ondergang aangezegd, zoo zij niet, met amper tijd voor voorloopige kennismaking, het plan aanvaardt en zijn uitwerking ter hand neemt op korten termijn. Deze geloovige haast zich wel zeer! Hij is overtuigd, tot heil der menschheid weliswaar, maar niet ten persoonlijken voordeele van elk en een iegelijk, te hebben ‘geordend’, wat medebrengt, dat, mocht uit dit boek een beweging groeien, deze zal kunnen rekenen op verzet uit eigenbaat van bepaalde groepen; hijzelf stipt het punt aan, maar nauwelijks als meer dan een punt; utopisme?

Dat men van utopieën - behalve dan als middel tot ontspanning van den geest - volstrekt wars kan zijn en niettemin deze utopie, welker lezing eenige, zij het niet overmatige, inspanning vergt, met dringende warmte voelt ter lezing te mogen aanbevelen, komt louter hier vandaan, dat zij een product is van zuiverste menschelijkheid en van cerebrale werkzaamheid van het beste allooi, zoo zeldzaam in haar soort en combinatie, dat reeds hierom alleen de verschuldigde eerbied eischt, haar schepper een kans te gunnen, onze wereld te overtuigen, te winnen en te redden.

v.B.