De Gids. Jaargang 155


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 155. Meulenhoff Nederland, Amsterdam 1992


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Cyrille Offermans
In de soep

 
Als er een erwt in de zee wordt geschoten zou een scherper
 
oog dan het onze [...] het effect daarvan op de Chinese kust waarnemen.
 
Georg Friedrich Lichtenberg, Ueber Physiognomik, 1778

Als er een lifter wordt aangereden; als er iemand zijn knalpijp verliest; als er iemand op het idee komt van de Waalbrug te stappen; als er ergens een varkensoproer uitbreekt in de aanhangwagen van een veetransporteur - wat er waar dan ook op de Nederlandse wegen gebeurt, voor iedereen die elders in Nederland in een auto zit is het effect daarvan onmiddellijk waarneembaar: hij zou in een file terechtkomen. Want de Nederlandse wegen, ik verklap geen geheim, zijn één monsterlijke oorzaak-gevolgconstructie. Alleen overgeleverd aan de wetten van de causaliteit, fataal ingeblikt tussen lange slierten lotgenoten, kun je hopen nog ooit je bestemming te bereiken. Het metafysische cliché dat alles met alles samenhangt heeft hier eindelijk een betonhard en dagelijks te verifiëren fundament gekregen: de lichtste trilling in de ene uithoek veroorzaakt stilstand tot in de andere.

Zou Lichtenberg dat voorzien hebben? Vast niet. Zou hij met zijn in zee geschoten erwt iets soortgelijks hebben willen beweren? Ook dat geloof ik niet. Wegen waren er in zijn tijd nog maar nauwelijks, reizen was nog een inspan-

[p. 582]

nende en ongewisse bezigheid. Hij postuleert dat hypersensibele oog, denk ik, om ons juist nieuwsgierig te maken naar die immense ruimte buiten de gebaande wegen waar op het eerste gezicht helemaal niets gebeurt. Hij wil onze blik scherpen voor alles wat daar bij nader toezien en eventueel door ons toedoen tóch zoal beweegt. Hij wil ons gevoelig maken voor de tussenruimte. Hij wil laten zien wat we over het hoofd zien als we van het een naar het ander gaan, bijvoorbeeld als we de dingen tellen: ‘Iemand beschreef een rij wilgen die op bepaalde afstanden van elkaar waren geplant als volgt: eerst stond er één boom, dan geen boom, dan weer wel een boom en dan weer geen boom.’

Lichtenberg beziet het in kaart brengen van de wereld nog met de verbazing van iemand die niet goed weet waartoe dat in kaart brengen dient. De kaart is niet belangrijker dan de wereld, de wereld niet het willoos werktuig van de cartograaf. Kants idee van een ruimte en een tijd a priori, als volmaakte abstracties, zal Lichtenberg, net als diens streng-Pruisische zedenwet, vermoedelijk wel als de produkten van het fysieke ongemak en de zintuigelijke kwalen van de oude dag hebben beschouwd. Als het lichaam tot niet veel genietingen meer in staat is en de zintuigen slijten, dreigt men de mogelijkheden van de geest immers al gauw te overschatten.

Maar de idealistische filosofie met zijn abstracte voorstelling van tijd en ruimte was toch niet alleen het gevolg van een oudemannenkwaal. Ze vatte ook post in de hoofden van jonge materialistische geesten die droomden van een wereldomspannende markt. Wij zijn zo gelukkig de realisering daarvan mee te maken. Wij zijn er getuige van hoe de ruimte in hoog tempo wordt geïnternationaliseerd en ontdaan van plaatselijke eigenaardigheden. Elke autoweg ziet er hetzelfde uit, en zo ook elk vliegveld, elke kantoorflat, elk winkelcentrum, elke nieuwbouwwijk. Verschillen bestaan er alleen nog in de oude steden, dat wil zeggen in de centra - maar ook daar niet zozeer dank zij als wel ondanks de mensen die er rondlopen. Overal willen ze McDonalds, overal hijsen ze zich vrijwillig in joggingpakken.

Over deze dingen kun je in verschillende bewoordingen praten. Je kunt het doen vanuit een esthetische optiek, zoals in deze notitie van Cioran: ‘Een verwoest bos. Huizen verrijzen. Smoelen, overal smoelen. De mens breidt zich uit. De mens is de kanker van de aarde.’ Je kunt het anders maar even adequaat doen in de taal van de grote kritische theoreticus van de negentiende eeuw, de denker wiens standbeeld nu overal in Oost-Europa wordt weggehaald uitgerekend op het moment dat men zich daar eindelijk neerlegt bij de door hem ontdekte economische wetmatigheid die men zo lang met Muur, Intimidatie en Terreur van het erf had gehouden. Want wat schreef Marx in 1857? ‘Terwijl het kapitaal er dus enerzijds naar moet streven elke plaatselijke barrière voor het verkeer en de ruil te slopen, de hele wereld als zijn markt te veroveren, streeft het er anderzijds naar de ruimte te vernietigen door de tijd; dat wil zeggen de tijd die het kost van de ene plaats naar de andere te gaan tot een minimum te reduceren. Hoe ontwikkelder het kapitaal, hoe uitgebreider derhalve de markt waarop het circuleert [...], des te meer streeft het tegelijk naar een grotere ruimtelijke uitbreiding van de markt en naar een grotere vernietiging van de ruimte door de tijd.’

Dat is het, daarom zijn we zo overspannen. Niets laten we met rust, alles en iedereen moet in beweging komen en alles wat die beweging hindert dient opgeruimd te worden. Ooit werden er - hier en elders - reizigers gesignaleerd. Wat een tijden! Over het wereldomspannende verkeersnet circuleren nu alleen nog grondstoffen en halffabrikaten, eindprodukten en arbeidskrachten. Onze wegen zijn in feite enorme transportbanden - de ene fabriek in, de andere uit, we mogen nog blij zijn daar af en toe zomaar tussen te mogen rijden. En dat vinden de chauffeurs van vracht- en bedrijfsauto's ook, als ze de kans krijgen duwen ze je tegen de vangrail of in de berm. Je moet daar ook niet zomaar rijden. Ruimte - ook zonder het te

[p. 583]

weten kent iedereen tegenwoordig zijn klassieke economen - is een functie van tijd en tijd is geld.

Vrijdagavond elf uur. De autoradio meldt een file van vier kilometer ter hoogte van Zaltbommel. Verdomme, daar zal ik dus zo meteen in stranden. Ik denk aan de stellig door Lichtenberg geïnfecteerde filosoof die in de lange files op de zomerse autosnelwegen van Midden-Europa ‘fenomenen van geschiedfilosofische betekenis’ zag: de algehele onbeweeglijkheid van die files - zo opperde hij - doet ons misschien ontwaken uit de modernistische droom van de algehele beweeglijkheid. Een mooi verhaal, deze eigentijdse variant van de Verelendungstheorie, maar voor mij op dit moment een schrale troost. Ik hoefde toch niet meer uit die droom te ontwaken?

Ik graai in mijn cassetterekje, aarzel tussen de cellosuites van Bach en het Dissonantenkwartet van Mozart. Intussen kondigt de radio een gesprek aan met een Nederlandse socioloog. Ik hoor het lied van de kosmopoliet. Daar kunnen Bach noch Mozart tegenop, ik zet ze terug in het rekje. De socioloog juicht over de ‘internationalisering van de cultuur’ als een vorm van ‘commercialisering, een massalisering, een amerikanisering’. Wat praat die man raar, denk ik, het klinkt als de slechte vertaling van een kolom Holland-promotie in een Amerikaans blad voor jonge ondernemers. Maar een intellectueel is het wel, deze socioloog: hij heeft het over cultureel kapitaal, een culturele kapitalist en een culturele klassenstrijd. Dat is wel even verwarrend, iemand die in marxistisch jargon de lof van de wereldomspannende, alles opzuigende markt en de mondiale concurrentiestrijd zingt.

‘In dat wereldwijde circuit,’ hoor ik hem oreren, terwijl er van buitenaf een vreemd en verontrustend geluid tot me doordringt, gehijg van ijzer lijkt het wel, ‘in dat wereldwijde circuit is Nederland een station. Dat is de functie en de zin van de Nederlandse taal en cultuur, dat je er de wereld mee in en uit kunt stappen. Het nut van een natie is een perron in de wereld te zijn.’ Ik doe mijn best hier een stille vermaning in te horen dat ik maar beter de trein had kunnen pakken, maar dat is het niet, het is een oproep aan kunstenaars en intellectuelen: alles en iedereen moet op transport, zich waarmaken op de wereldmarkt, vooral ook al het topintellect en alle topkunst. Topintellect? Topkunst? Ik denk aan Lichtenberg en zijn kladschriften en schiet in de lach. Op hetzelfde moment hoor ik het venijnige lawaai van een over het wegdek schurende knalpijp. Maar het zou evengoed het gehijg en gedreun van een zojuist uit een veewagen ontsnapte kudde varkens kunnen zijn. Dat de hele boel maar in de soep loopt, denk ik, ik heb er vrede mee.