|
|
|
| |
| | | |
Liederen
| | | |
Algemene opmerking bij alle liederen: ik heb i als j en u als v weergegeven, wanneer de consonant bedoeld werd, v als u, wanneer de vocaal bedoeld werd; afkortingen heb ik opgelost en de oplossing alleen dan door cursieve druk aangeduid als de ‘letterwaarde’ van het afkortingsteken niet geheel vaststond; terwille van de begrijpelijkheid - dit is een interpreterende uitgave - heb ik interpunctie toegevoegd en eigennamen met hoofdletters gespeld; toevoegingen in de tekst en onzekere lezingen zijn cursief gedrukt en in de commentaar verantwoord; gekleurde hoofdletters aan het begin van strofische eenheden - ook van meerregelige refreinen - heb ik niet door bijzondere druk aangeduid, maar ik heb wel in de regelindeling der liederen hun ‘aanwijzingen’ gevolgd; de nummering van de liederen is afkomstig van Carton het leek mij zinloos de (moderne) paginering van het handschrift te honoreren; ik heb uiteraard kennis genomen van alles wat vroegere interpretatoren tot de verklaring van de tekst hebben bijgedragen, maar mij over 't algemeen niet in discussie met hen begeven; alleen van Verdam - door zijn woordenboek verreweg de belangrijkste interpretator, aan wie ik verreweg het meeste te danken heb - heb ik een enkele maal een afwijkende verklaring vermeld.
| |
| | | |
1

Here God, wie mach hem des beclaghen
Die sine ghenouchte crijcht up erde?
Hoe mach hem dan den tijt behaghen
Die nie ghewan daer hi na gherde!
5
Hi es te voet, tgheluc te perde.
Met rechte lijt sijn herte pijn,
Want elc ende elc neemt gerne tsijn.
Ic weinsche hem heyl op elcken dach
Die sinen boele hout stede ende trouwe.
10
Maecht hem gheburen of en mach, 10
Dat men geen onsteide an hem scauwe.
Ic gheve mijn steide der liefster vrouwe
| | | |
In wien dat rust die hertze mijn,
15
Hwi maecht beniden eenich zin 15
Dat lief ende lief te zamen gheren?
Want alle bliscap vint mer in
Ende ooc en can ment niet gheweren. 18
Tzwaer, het mach elker herten deren 19
20
Dat niders hier in doen venijn,
Men can ghelijc ende onghelijc
Met vruechden voughen niet in eyn,
Maer altoos es in vreuchden rijc
25
Lief bi lief in trouwen reyn.
Een kerel ghert der vruechden gheyn, 26
Hi mint den scat, spise ende wijn,
Selver, gout ende dierbaer steine
30
Jeghen een wivelic aenzien,
Dat prisic zeker alte cleine,
Want ic sghelijcs bezeffe in mien. 29-32
Mijn hertze en can di nicht ontflien,
Ic ghere vor al die hulde dijn, 34
35
Want elc ende elc neimt gherne tzijn.
|
| Tekst en melodie: ballade |
αβ:||γδε |
|
ab:||bcC |
N.B. Van syllabentelling wordt hier afgezien. (Verg. hiervoor Tijdschrift Ver. v. Ned. Muziekgesch. XVII, 1948, 44 vv.) De conjecturen zijn met kleine niet gecaudeerde noten aangegeven. De beginnoot d'' gekozen naar analogie van no 6. De beide e'' (es'') ingevoegd in door afsnijding ontstane hiaten in de bovenlijn. Andere transcripties: Fl. v. Duyse, Het oude Nederlandsche lied I, 527.
10maecht hem gheburen of en mach, ‘of het hem te beurt mag vallen of niet’, nl. dat zijn geliefde hem ook ‘stede en trouwe’ houdt.
15hwi, l. wi, ‘hoe’. eenich zin, ‘enig verstand, enig verstandig mens’.
18ooc en can ment niet gheweren, ‘men kan er ook niets tegen doen’.
19tzwaer, ‘voorzeker’ (duitse vorm voor mnl. twaer).
26kerel: verg. de liederen 48 en 85.
29-32‘zilver, goud en kostbare stenen acht ik gering in vergelijking met de (op mij gerichte) blik van mijn geliefde, want ik voel in mijn hart datgene wat met die blik correspondeert’; mien is een rijmvariant van mi.
|
|