terug  begin  verderprepost
[p. 255]

12



illustratie

 
In noyaelre trauwen fijn,1
 
Sonder fraude of malengien,2
 
Willic eewich haer dienre zijn,
 
Want duecht ende vruecht doet si ghescien.
5
Haer edel wivelic zoete aenzien
 
Staet binnen in mire hertzen scrijn.4-6
 
 
 
Naest Gode so moet dat herte mijn
 
Altoos bliven haer eighijn.
 
 
 
Al warich heinen over Rijn,9
[p. 256]
10
Gheheel soude haer mijn hertze bliven,
 
Want haer wivelic anscijn
 
En can men uut mi niet verdriven.
 
Mine bliscap ware niet te scriven,
 
Gaefsoe mi troost een lettelkijn.
 
 
15
Naest Gode so etc.
 
 
 
Hoe mochtic achten eenighe pijn
 
Die mi haer minne doghen doet,
 
Want als die edel duutsche wijn
 
Mach si verhueghen minen moet.
20
Wat soe mi doet, Docht mi niet goet,
 
Ic ware onwetender dan een zwijn.21
 
 
 
Naest Gode so moet die hertze mijn
 
Altoos bliven haer eighijn.
Ballade. Conjectuur in 't begin vgl. 15.
R. in ternair ritme. Hier de || niet ontbonden; zou melodisch niet verkieslijk zijn.
1in noyaelre trauwen, ‘in oprechte trouw’.
2sonder fraude of malengien, ‘zonder bedrog of kwade trouw’; een aan de rechtstaal ontleende formule, waarin iets van de ‘scholing’ van de dichter doorklinkt; verg. de liederen 36, r. 19 en 130, r. 7.
4-6aan het begin van deze regels is het perkament, zoals De Vreese zegt, ‘afgeschilferd’; N. Geerts heeft al voorgesteld r. 4 te completeren met want, en van de hoofdletter W is ook nog wel iets te herkennen; hetzelfde kan gezegd worden van de H in r. 5 en de S in r. 6; verg. lied 97: ‘Binnen in mir hertzen cas / Daer staet een bloume’.
9‘al was ik op reis in het Rijnland’; blijkbaar lag daar voor de dichter persoonlijk en voor de Bruggelingen van het einde der 14de eeuw in het algemeen het meest bekende ‘buitenland’; verg. lied 120.
21onwetender dan een zwijn: het varken was voor vlaamse dichters in de 13de en 14de eeuw een beeld van domheid (zie voorbeelden bij Verdam).
prepostterug  begin  verder