2sonder fraude of malengien, ‘zonder bedrog of kwade trouw’; een aan de rechtstaal ontleende formule, waarin iets van de ‘scholing’ van de dichter doorklinkt; verg. de liederen 36, r. 19 en 130, r. 7.
4-6aan het begin van deze regels is het perkament, zoals De Vreese zegt, ‘afgeschilferd’; N. Geerts heeft al voorgesteld r. 4 te completeren met want, en van de hoofdletter W is ook nog wel iets te herkennen; hetzelfde kan gezegd worden van de H in r. 5 en de S in r. 6; verg. lied 97: ‘Binnen in mir hertzen cas / Daer staet een bloume’.
9‘al was ik op reis in het Rijnland’; blijkbaar lag daar voor de dichter persoonlijk en voor de Bruggelingen van het einde der 14de eeuw in het algemeen het meest bekende ‘buitenland’; verg. lied 120.
21onwetender dan een zwijn: het varken was voor vlaamse dichters in de 13de en 14de eeuw een beeld van domheid (zie voorbeelden bij Verdam).