Rondeel. De slotcadens d'c' (zie facsimile) is tonaal onbevredigend; de melodie heeft een weifelend dur-karakter (vgl. ook de noten boven ‘daer trouwe daelt’).
1‘ik weet niet bij benadering hoe ik mij moet gedragen’; de dichter gebruikt hier (en in r. 6) het mhd. woord bîlich, ‘nabij’, dat verder niet in het mnl. is aangetroffen.
3verg. Jan Praet: ‘Quaetheit wast ende deught gaet onder’ (ed. Bormans r. 3124).
4‘ik geloof dat ik maar moet afzien van mijn (hoofse) trouwbetoon’.
5‘of men is nergens over mij tevreden, men accepteert mij nergens’.