terug  begin  verderprepost
[p. 261]

15



illustratie

 
In weet bi bilich, hoe gheneren!1
 
De werelt es so sere verdrayt:
 
Ontrauwe rijst daer trouwe daelt.3
 
 
 
Mi dinke, ic moet der trauwe ontberen,4
5
Of men wert nerghent mijns ghepayt.5
 
 
 
In weet bi bilich, hoe gheneren!
 
De werelt es so sere verdrayt.
 
 
 
Wat batet altoos trauwe begheren,
 
Daer men niet na trauwe en hayt?9
10
Doch bleef goet dienst noit onbetaelt.
Rondeel. De slotcadens d'c' (zie facsimile) is tonaal onbevredigend; de melodie heeft een weifelend dur-karakter (vgl. ook de noten boven ‘daer trouwe daelt’).
1‘ik weet niet bij benadering hoe ik mij moet gedragen’; de dichter gebruikt hier (en in r. 6) het mhd. woord bîlich, ‘nabij’, dat verder niet in het mnl. is aangetroffen.
3verg. Jan Praet: ‘Quaetheit wast ende deught gaet onder’ (ed. Bormans r. 3124).
4‘ik geloof dat ik maar moet afzien van mijn (hoofse) trouwbetoon’.
5‘of men is nergens over mij tevreden, men accepteert mij nergens’.
9hayt, ‘verlangt’.
prepostterug  begin  verder