Tekst en melodie in balladevorm. De woorden en noten van het R. wijzen op een dans.
3soe hadde een ore verloren: het ‘cortoren’ was een straf die op hoeren en dieveggen werd toegepast (Gessler, Brab. Folklore XIX, 143); in dit lied kennelijk bedoeld als attribuut van een (oude) hoer.
9soete minnekijn: in deze aanspraak en ook in verdere wendingen (r. 11, 13, 20, 23, 24, 25, 32) wordt de traditionele hoofse taal geparodieerd.
17Daverloo: ‘Daverloo is een wijk van Assebrouck bij -, een convent aan den rand van Brugge, en nog veel meer’ (De Vreese, TNTL 59, 256); de eerste letter is in het hs. zo onduidelijk, dat Gessler er een b en Deleu er een .i. in heeft kunnen lezen, maar een plaats Baverloo bestaat evenmin als een woord averloo, ‘met haver begroeide plaats’; de lezing van Carton, waar noch Scharpé noch De Vreese bezwaar tegen hebben gemaakt, heeft in elk geval zin.
18haddicker yet mede te doene: verbloemende uitdrukking voor de coitus.
21scieten na de ka, ‘schieten naar de (toren)kraai’; eveneens een aanduiding van de coitus; Mak vergelijkt de papegaai schieten in dezelfde toepassing (WNT s.v.).
30meine: Verdam heeft verondersteld dat hiermee ‘misschien het fra. main, hand, bedoeld’ is.
33-34verg. Jan Praet: ‘dat ic vele bem in dole/.../ dies soudic gherne gaen ter scole / tote Sapientien der vrouwen’ (ed. Bormans r. 1718 vgg.); ‘soe wort in dole / als die te scole / gaet sonder boec’ (r. 3481/3); ‘Nochtan dinsctu mi in dole. / Ganc ter Sapientien scole’ (r. 1685/6).
39ongherich, ‘hongerig’; er is geen aanleiding om in dit woord, met Verdam, een, overigens niet voorkomende, bijvorm van ongierich te zien; dat het metrum een accentuatie ongérich zou eisen, is een misverstand.
51‘zij nam haar muts af’, verg.: ‘si biet hem hovescheit ende hi hare, si lichten beide cappruun ende hoet’ (geciteerd MW 3, 1194).
51-55het slot van al deze regels is uiterst vaag; ik heb geprobeerd de letters en lettersporen zo goed mogelijk op te vangen in woorden die een redelijke zin gaven, in aansluiting bij wat Carton al heeft gelezen (caproen, gadi doen, hertekin al).
58‘toen ik haar zag weggaan’; in de voorafgaande strofe moet dus het afscheid geschilderd zijn.
59spien ic der vruechden crans, ‘zette ik mij de krans der vreugde op het hoofd, was ik blij toe’; hier laat de dichter de ironische lofprijzing varen en gaat hij over op directe spot.