terug  begin  verderprepost
[p. 262]

16



illustratie

 
Ic hadde een lief vercoren
 
Dies es leden lanc.
 
Soe hadde een ore verloren,3
 
Daer toe ghincso manc.
5
Soe diende so wel na minen danc,5
 
Seidic neen, so seide ja.
 
 
 
Nu gaet voren, voren, voren,
 
Nu gaet voren, ic volghe u na!
 
 
 
Ic seide: ‘soete minnekijn,9
10
Nu gaet met mi.
 
Ic wille altoos u eighin zijn,
 
So waer ic zi.
 
Mijn herte es u so vaste bi,
[p. 263]
 
Mine rouc waer dat ic met u ga.’
 
 
15
Nu gaet voren etc.
 
 
 
Ic leedese in dat groene
 
Bachten Daverloo.17
 
Haddicker yet mede te doene,18
 
Dat laet zijn also.
20
Wi waren beide in vruechden vro,
 
Soe leerde mi scieten na de ka.21
 
 
 
Nu gaet voren etc.
 
 
 
Ic seide: ‘scone vrouwe,
 
Ic bem in u bedwanc.’
25
Soe boot mi hare trouwe,
 
Doe riepic: ‘goddanc!’
 
Van vruechden dat ic lude zanc:
 
‘Help mi, here God, hoe vaste ic sta!’28
 
 
 
Nu gaet voren etc.
 
 
30
Soe boot mi hare meine,30
 
Wit als ene cole.
 
De zuverlike reyne
[p. 264]
 
Maecte mi an dole.
 
Wi ghingen so ter minnen scole,33-34
35
Wine consten segghen bu no ba.
 
 
 
Nu gaet voren etc.
 
 
 
Soe boot mi haer anscijn
 
Ende zoe sanc in fransois.
 
Recht als een ongherich zwijn39
40
So ghinc haer zoete voys.
 
Mi dincke, ic minne gheerne iet moys,
 
Ic halp haer zinghen, re mi fa.
 
 
 
Nu gaet voren etc.
 
 
 
Ic seide: ‘lief, nu gaeu
45
Ende ghevet mi eenen mont!’45
 
Ghelu ende blaeu46
 
Up hare lippen stont.47
 
Mijn hertkin dat es al ghesont,
 
Als ic mi in der vruechden dwa.49
 
 
50
Nu gaet voren etc.
[p. 265]
 
Soe lichtede haer caproen51
 
Ende seide: ‘die tijt gaet.’
 
Ic seide: ‘wat gadi doen?
 
Ende dies es gedaen quaet!
55
Ghi hebt mijn hertekin al versaet,51-55
 
Als ic mijn oghen up u sla.’
 
 
 
Nu gaet voren, ic volghe u na.
 
 
 
Als ic sach haren ganc,58
 
Spien ic der vruechden crans.59
60
Soe was van houden manc,60
 
Hoe mochte haer lusten mans!
 
Wielende ghinc soe als een gans.62
 
Hadsoe gheroupen doe ka ga!
 
 
 
Nu gaet voren etc.
Tekst en melodie in balladevorm. De woorden en noten van het R. wijzen op een dans.
3soe hadde een ore verloren: het ‘cortoren’ was een straf die op hoeren en dieveggen werd toegepast (Gessler, Brab. Folklore XIX, 143); in dit lied kennelijk bedoeld als attribuut van een (oude) hoer.
5‘ze deed precies wat ik wou’.
9soete minnekijn: in deze aanspraak en ook in verdere wendingen (r. 11, 13, 20, 23, 24, 25, 32) wordt de traditionele hoofse taal geparodieerd.
17Daverloo: ‘Daverloo is een wijk van Assebrouck bij -, een convent aan den rand van Brugge, en nog veel meer’ (De Vreese, TNTL 59, 256); de eerste letter is in het hs. zo onduidelijk, dat Gessler er een b en Deleu er een .i. in heeft kunnen lezen, maar een plaats Baverloo bestaat evenmin als een woord averloo, ‘met haver begroeide plaats’; de lezing van Carton, waar noch Scharpé noch De Vreese bezwaar tegen hebben gemaakt, heeft in elk geval zin.
18haddicker yet mede te doene: verbloemende uitdrukking voor de coitus.
21scieten na de ka, ‘schieten naar de (toren)kraai’; eveneens een aanduiding van de coitus; Mak vergelijkt de papegaai schieten in dezelfde toepassing (WNT s.v.).
28is dit een citaat?
30meine: Verdam heeft verondersteld dat hiermee ‘misschien het fra. main, hand, bedoeld’ is.
33-34verg. Jan Praet: ‘dat ic vele bem in dole/.../ dies soudic gherne gaen ter scole / tote Sapientien der vrouwen’ (ed. Bormans r. 1718 vgg.); ‘soe wort in dole / als die te scole / gaet sonder boec’ (r. 3481/3); ‘Nochtan dinsctu mi in dole. / Ganc ter Sapientien scole’ (r. 1685/6).
39ongherich, ‘hongerig’; er is geen aanleiding om in dit woord, met Verdam, een, overigens niet voorkomende, bijvorm van ongierich te zien; dat het metrum een accentuatie ongérich zou eisen, is een misverstand.
45de aanvulling is van De Vreese.
46blaeu: Carton en De Vreese hebben grau gelezen, maar mij lijkt de eerste letter van het zeer onduidelijke woord eerder een b te zijn.
47de aanvulling is van De Vreese.
49‘als ik baad in de minnevreugde’.
51‘zij nam haar muts af’, verg.: ‘si biet hem hovescheit ende hi hare, si lichten beide cappruun ende hoet’ (geciteerd MW 3, 1194).
51-55het slot van al deze regels is uiterst vaag; ik heb geprobeerd de letters en lettersporen zo goed mogelijk op te vangen in woorden die een redelijke zin gaven, in aansluiting bij wat Carton al heeft gelezen (caproen, gadi doen, hertekin al).
58‘toen ik haar zag weggaan’; in de voorafgaande strofe moet dus het afscheid geschilderd zijn.
59spien ic der vruechden crans, ‘zette ik mij de krans der vreugde op het hoofd, was ik blij toe’; hier laat de dichter de ironische lofprijzing varen en gaat hij over op directe spot.
60van houden manc, ‘mank van ouderdom’.
62wielende, ‘draaiend met de heupen, waggelend’.
prepostterug  begin  verder