terug  begin  verderprepost
[p. 266]

17



illustratie

 
De capelaen van Hoedelem1
 
Die soude eens nuchtens messe doen.
 
Die coster die drouch bachten hem
 
Sinen bouc ende sinen craproen.4
5
Hi seide: ‘coster, lieve garsoen,5
 
Nu ganc een lettelkijn met mi.’
 
De bottekalagi de madamoers sondi sondi,
 
De bottekalagi de madamoers de voustra vi.7-8
[p. 267]
 
De costre seide: ‘domine,9
10
Waer waert wildi henen gaen?’
 
‘Lieve coster, nemmermee
 
Ne latet niemene verstaen!
 
Men soude mi de crune vlaen,13
 
Wiste men hoe die zake zi!’
15
De bottekalagi etc.
 
 
 
Als si camen vor die duere
 
Daer de pape wilde zijn:
 
‘Coster, nu moeti hier vuere
 
Bliven staende een lettelkijn.
20
Haddic ghedaen den wille mijn,
 
Ic comme tot u sonder chi.’21
 
De bottekalagi etc.
 
 
 
Mijn here die pape die ghinc in.
 
De coster die daer buten stoet,
35
Hi peinsde wel in zinen zin:
 
‘Dese pape en es niet vroet.
 
Quame de man, dan ware niet goet.
 
Hi soude mi vraghen: wat wildi?’
 
De bottekalagi etcet.
[p. 268]
30
De coster die ne stont daer niet lanc,
 
De man ne cam ter duere ghegaen.
 
‘Laet in! laet in!’ dat was sijn zanc:
 
‘Of ic sal de duere up slaen!’
 
Als hi dit riep, doe wast ghedaen.
35
In de camere so ghinc hi.
 
De bottekalagi etc.
 
 
 
Een pape dat hi te bedde vant,
 
Die arde jamerlike sach.
 
De man nam enen stoc in dhant,
40
Hi gaf hem menighen drouven slach.
 
Hi seide: ‘dit es u laetste dach!’
 
De pape maecte groot ghecri.42
 
De bottekalagi etc.
 
 
 
Die coster hoerde dat ghescal,44
45
Hi tart een lettelkijn bet naer.
 
Hi hoorde tspapen ongheval,
 
Hi seide: ‘wat duvle doedi daer?
 
God gheve mi een drouve jaer,
 
Mi en es lief dat ic hier buten zi!’48-49
50
De bottegalagi etce.
Balladestrofen αβαβαβγγ
ababbcCC

 

Voor de refreinregel tekort aan noten. Door enkele herhalingen hierin voorzien.
1Hoedelem: Oedelem, ten zuidoosten van Brugge.
4craproen, ‘kazuifel’; in het gebruik van dit niet-technische woord - een c(r)aproen is een ‘mantelkap’ of ‘monnikskap’ - zit waarschijnlijk al een element van spot.
5lieve garsoen, ‘beste kerel’.
7-8een nog niet geïdentificeerd frans liedje; Drs. N. van de Boogaard te Amsterdam, die, op verzoek van mijn collega Prof. Dr. W. Noomen, zo vriendelijk is geweest er een onderzoek naar in te stellen - waarvoor ik hem van harte dank zeg -, schrijft mij: ‘Ik ken in de litteratuur tot 1325 geen refrein, waarvan alle delen overeenstemmen met de tekst. Als de tekst een refrein is in het oud-Frans, moet madamoers betekenen mal d'amours (mals, maux d'amour(s), d'amer) omdat ... deze uitdrukking zo frequent voorkomt - in een honderdtal van de ruim tweeduizend refreinen ... Kalagi: het meest waarschijnlijk lijkt mij, dat deze vorm samenhangt met het werkwoord alegier, dat ik een vijftiental malen heb ontmoet in refreinen ... Botte: ik zie geen andere mogelijkheden dan bonté of beauté ... Beauté (biauté) komt in een negental refreinen voor, waarbij er bijna altijd een nauwe band is met dame of amie’; uitgaande van deze gegevens - alegier heeft ook een bijvorm alegir - is mijn schoonzoon A. Steenberg, litt. rom. cand., gekomen tot de volgende ‘herverfransing’ van het door Jan Moritoen min of meer fonetisch neergeschreven liedje: ‘De beaute k'alegit de mal d'amours son dis, son dis. De beaute k'alegit de mal d'amours, de voustre vis’, d.w.z. ‘Van schoonheid die mijn minnepijnen verlicht zing ik een liedje. Van schoonheid die mijn minnenpijnen verlicht, van ‘naaien’ leef ik’; men kan zich voorstellen dat de dichter, wanneer door de ‘edelen wijn rijnscaert’ de stemming erin was gekomen, het lied van de ‘capelaen van Hoedelem’ aan de vrienden heeft voorgezongen en dat dezen dan het refrein, dat als schlager in het Brugge van die dagen algemeen bekend zal zijn geweest, uit volle borst hebben meegezongen; het komt mij voor dat ons refrein zal kunnen worden toegevoegd aan de oudfranse literatuur; dat het in Frankrijk zelf niet schriftelijk is overgeleverd, laat zich geredelijk verklaren uit zijn platte inhoud; het ging alleen van mond tot mond; verg. nog lied 16 r. 38: ‘ende zoe sanc in fransois’.
9domine: Verdam vermeldt deze aanspreekvorm voor een geestelijke niet; in het WNT (s.v. 4) wel 16de-eeuwse plaatsen.
13de crune vlaen, ‘zo de kruin scheren dat de schedelhuid meegaat, scalperen’; spot met de tonsuur.
21sonder chi, ‘zonder mankeren’; ofra.sans si (verg. MW 7,1040).
42ghecri, ‘geschreeuw’.
44hoerde, l. hoorde.
48-49‘God moge mij straffen met een slecht jaar, als ik niet blij ben dat ik hier buiten sta!’
prepostterug  begin  verder