7-8een nog niet geïdentificeerd frans liedje; Drs. N. van de Boogaard te Amsterdam, die, op verzoek van mijn collega Prof. Dr. W. Noomen, zo vriendelijk is geweest er een onderzoek naar in te stellen - waarvoor ik hem van harte dank zeg -, schrijft mij: ‘Ik ken in de litteratuur tot 1325 geen refrein, waarvan alle delen overeenstemmen met de tekst. Als de tekst een refrein is in het oud-Frans, moet
madamoers betekenen
mal d'amours (mals, maux d'amour(s), d'amer) omdat ... deze uitdrukking zo frequent voorkomt - in een honderdtal van de ruim tweeduizend refreinen ...
Kalagi: het meest waarschijnlijk lijkt mij, dat deze vorm samenhangt met het werkwoord
alegier, dat ik een vijftiental malen heb ontmoet in refreinen ...
Botte: ik zie geen andere mogelijkheden dan
bonté of
beauté ... Beauté (biauté) komt in een negental refreinen voor, waarbij er bijna altijd een nauwe band is met
dame of
amie’; uitgaande van deze gegevens -
alegier heeft ook een bijvorm
alegir - is mijn schoonzoon A. Steenberg, litt. rom. cand., gekomen tot de volgende ‘herverfransing’ van het door Jan Moritoen min of meer fonetisch neergeschreven liedje: ‘De beaute k'alegit de mal d'amours son dis, son dis. De beaute k'alegit de mal d'amours, de voustre vis’, d.w.z. ‘Van schoonheid die mijn minnepijnen verlicht zing ik een liedje. Van schoonheid die mijn minnenpijnen verlicht, van ‘naaien’ leef ik’; men kan zich voorstellen dat de dichter, wanneer door de ‘edelen wijn rijnscaert’ de stemming erin was gekomen, het lied van de ‘capelaen van Hoedelem’ aan de vrienden heeft voorgezongen en dat dezen dan het refrein, dat als schlager in het Brugge van die dagen algemeen bekend zal zijn geweest, uit volle borst hebben meegezongen; het komt mij voor dat ons refrein zal kunnen worden toegevoegd aan de oudfranse literatuur; dat het in Frankrijk zelf niet schriftelijk is overgeleverd, laat zich geredelijk verklaren uit zijn platte inhoud; het ging alleen van mond tot mond; verg. nog
lied 16 r. 38: ‘ende zoe sanc in fransois’.