terug  begin  verderprepost
[p. 269]

18 +



illustratie

 
Mijn hertze en can verbliden niet,
 
Als soe niet vroilic up mi ziet
 
In wien ic vruechden aen bespiet.
 
Elpt mi, of ic verderve!
 
 
5
Mi ne can gehelpen wijf no man,
 
Als soe mi geenre hulpe ne jan.
 
Ic moet van rauwen dwinen dan,7
 
Et es aldus mijn erve.8
 
 
 
Mijn lief es leet, mijn heyl verdriet,
10
Aldus ende wers es mi ghesciet.
 
Ic biddu, vrauwe, ghedinct mijns yet,
 
Eer ic van rouwen sterve!
 
 
 
Meerre vruecht nie man ghewan,
 
Als ic u vroylic scauwen can.
[p. 270]
15
In can ghesceiden niet, daer van
 
Eenparich ic mi kerve.15-16
 
 
 
Met vruechden zinghen een vroylic liet:
 
‘Allen rouwe van mi vliet
 
In hopen, wes ghi mi ghebiet,’
20
Elpt mi, of ic bederve!17-20
 
 
 
Mijn hertze en can verbliden niet etc.
Chanson. Kleine hymnestrofen: αβγδ
aaab

 

De ‘schijnmensuur’ (zie facs.) dient slechts ter aanduiding van kortere en langere noten. De transcriptie heeft deze notenwaarden vastgehouden. Bij de zangvoordracht echter richte men zich in hoofdzaak naar het tekstritme! Wolf, Kongreßbericht.
+Acrostichon: Maie.
7dwinen, ‘wegkwijnen’.
8erve, ‘erfdeel’, hier: ‘lot dat mij toevalt’.
15-16‘ik kán niet scheiden, daarom (daer van) kwel ik mij voortdurend af’.
17-20‘help mij met vreugde een vrolijk lied zingen, anders ga ik te gronde!’; r. 18/9 kan de inhoud van het vrolijke lied zijn - zoals door de interpunctie van de tekst wordt gesuggereerd - maar kan ook als tussenzin gelezen worden: ‘alle rouw vliedt van mij heen, wanneer ik erop mag hopen dat gij mij iets zult opdragen’ (uit die opdracht blijkt dan immers dat de dichter door de geliefde als minnaar aanvaard wordt, dat zij zijn gebiedster wil zijn en hij haar dienaar, haar lijfeigene mag zijn).
prepostterug  begin  verder