terug  begin  verderprepost
[p. 278]

22 +



illustratie

 
Mijn herte onbiedt u lieven dach,1
 
Alleine vrouwe mijn!
 
Reinre wijf ic nie ghesach
 
In trouwen also fijn,
5
Ende ic wil u ghestade zijn.
 
 
 
Mijn zin, mijn moet, wat ic vermach,
 
Aenstu, mijn wijflic scijn.
 
Recht dwincstu mi al sonder slach,8
 
Ic bem te male dijn,
10
Ende ic wil u ghestade sijn.
 
 
 
Mijn hertze onbiedt u etc.
 
 
 
Mi aenstu al sonder verdrach,12
[p. 279]
 
Al waric over Rijn.13
 
Rouct mijns, mijn vrouwe, hoort mijn gheclach,
15
Jont mi recht loon na pijn!
 
Ende ic wil u ghestade zijn.
 
 
 
Mijn herte onbiedt u etc.
Chanson met refreinregel en herhaling van het eerste couplet na het 2de enz. (zie opm. bij 31). Melodie doorgecomponeerd.
Beginnoot conjectuur (randafsnijding van gelijke breedte als in no. 23, alwaar eveneens conjectuur).
+Acrostichon: Marie.
1lieven dach: een incidentele variant van goeden dach die, behalve door een behoefte aan een meer persoonlijke en innige expressie, bepaald wordt door de klankcorrespondentie met het volgende, nadrukkelijke alleine (‘u, die alléén mijn vrouwe zijt’!).
8sonder slach, ‘zonder slag of stoot’.
12sonder verdrach, ‘zonder enige beperking’.
13‘al zou ik, ver van u, op reis in het Rijnland zijn’; verg. lied 120 en blz. 210.
prepostterug  begin  verder