terug  begin  verderprepost
[p. 280]

23 +



illustratie

 
Melancolie dwinct mi de zinne
 
Allein up ein ende anders gein.
 
Reinre wesen van beghinne
 
Ic nie verzinde dat dit ein.4
5
Et es alst was, mi blivet reyn!5
 
 
 
Mi en rouc wat wene ic ghewinne,
 
Als ic verzie u lieflic grein.7
 
Recht bezouc doet dat ict kinne,8
[p. 281]
 
In trauwen rein, niet als vileyn.9
10
Et es alst was etc.
 
 
 
Met steiden blivic vaste hier inne,
 
Alle vruecht es mi te clein.12
 
Rouct soe mijns niet wien ic minne,
 
In hopen vindic bate allein.13-14
15
Et es alst was etc.
 
 
 
Mijn trauwe es vast, mijn ontrauwe dinne,16
 
Arech es met mi onghemein.17
 
Rouct mijns, mijns hertzen coninginne,
 
Ic houdu over capiteyn!19
20
Et es alst was etc.
 
 
 
Melancolie dwinct mi die zinne etc.
Chanson met refreinregel. Melodie doorgecomponeerd. αβγδε
ababB

 

De beginnoot is conjectuur (volgens 15 en 134). Transcriptie is het dorisch is ongenietbaar door een aantal moeilijk te vermijden tritoni. Betere melodische gang (met behoud van de finalis d) door toepassing van de getransponeerd mixolydische modus. Wolf Kongreßber. leest phrygisch.
+Acrostichon: Marie.
4dat, l. dan.
verzinde, ‘beminde’.
5‘het was rein, is rein en blijve mij rein’.
7‘als ik uw liefelijk juweel waarneem’; het hs. heeft v zie, zonder waarneembaar afkortingsteken achter de v; op zichzelf genomen levert een regel als ik u zie, u, lieflic grein ook wel zin op, maar als grein vocativus is, kan t van ict in r. 8 nergens op terug slaan; daarom neem ik aan dat tussen v en zie een ‘r-krul’ is weggesleten; vele letters en woorden in dit lied zijn moeilijk te lezen, op onleesbaarheid af.
8recht bezouc, ‘gezette waarneming’.
9niet als vileyn, ‘niet met onhoofse bijgedachten’.
12alle vruecht es mi te clein: nl. in vergelijking met de vreugde van uw genegenheid te bezitten.
13-14‘als zij die ik bemin geen acht op mij slaat, put ik kracht uit de hoop (dat zij toch nog eens mijn genegenheid zal beantwoorden)’.
16mijn ontrauwe dinne, ‘mijn ontrouw gering’; de dichter heeft zich door het oppositionele patroon laten meeslepen, maar de tweede helft van de versregel kan nauwelijks een versterking heten van wat in de eerste helft gezegd is!
17‘ik houd mij verre van het onhoofse (arech)’.
19‘gij zijt voor mij de gebiedster’.
prepostterug  begin  verder