Ballade. Andere tekstplaatsing, b.v. met de refreinregels op de begin-scala's, is ook mogelijk. Wolf Kongreßbericht.
1-2‘er was eens een arme koopman die leerde, hóe hij zijn waar aan de man (vrouw) moest brengen’.
3(H)annin: eigennaam, oorspronkelijk een vleivorm van Johannes, die ook gebruikt werd ter aanduiding van een sukkel; verg. lied 71. tute bier, ‘kan bier’ een bijnaam die gekozen kan zijn om de buitengewone sexuele potentie van de betrokkene aan te duiden.
5canis, ‘mars, korf van een marskramer’; buiten dit lied niet in mnl. teksten aangetroffen en blijkbaar dus een spreektaalwoord; in latere taal is het een plat woord voor ‘lichaam’ en mogelijk was deze toepassing ook in het mnl. al bekend; verg. maars en korf als platte woorden voor ‘achterste’.
6joncfrauwe, hs. joncfr'; zo ook op andere plaatsen in dit lied.
8trompen, bellen: waarschijnlijk moet men hierbij wel denken aan kindertrompetjes, rammelaars e.d.; verg. ook de (16de-eeuwse) citaten bij het derde artikel Tromp in het WNT; het aldaar gegeven citaat van Gezelle bewijst dat deze ons lied, in de uitgave van Carton, gekend moet hebben.
13ghetsan tert, ‘zingende mijn waren aangeprezen’; buiten deze plaats niet in het mnl. aangetroffen; verg. dialectisch s(j)anteren, ‘zeuren, jammeren, babbelen, brabbelen’ (WNT).
14‘ik heb geen cent gebeurd’; de waarde van een mite was het derde deel van een penning.
16al u ghevouch, ‘al wat u past’; hs. al gheuouch; aanvulling van Mak.
17‘ik gun u een voordelige koop’, met bijgedachte aan ‘genoegen’ en ‘beterschap’.