4-6‘wanneer gij mij als lijfeigene onder uw hoede hebt genomen en ik zonder voorbehoud de uwe ben, bevrijdt gij mij van mijn verdrietelijke onzekerheid (nl. of ik wel door u geaccepteerd word)’.
14‘heb ik zoveel vreugden als ik maar kan wensen’.
17‘ik heb geen onhoofse bijbedoelingen’; waarschijnlijk een toespeling op de - ook in die tijd waarschijnlijk niet alledaagse - hoofse driehoeksverhouding: de hoofse huisvriend geeft uitdrukkelijk te kennen dat hij de grenzen eerbiedigt en zich niet in de plaats van de eigenlijke minnaar (Egidius) wil stellen.