1vrient no vrient: het is ongewoon dat twee gelijke woorden door no verbonden worden en daarom verdient het overweging, of het tweede vrient geen zelfstandig gebruikt part. praes. van het ww. vriën is; bij een tweesyllabige realisatie vriënt wordt het vers ritmisch ook beter (ne en es vormen samen één syllabe, die de derde heffing draagt); een woordspel van vrient en vriënt lijkt mij wel in de dichterlijke techniek van Jan Moritoen te passen; de intieme vriend op wie de dichter het oog heeft, was voor hem ook een ‘vriënde’ geweest.
3-5‘als de vrienden geen aandacht hebben voor elkaars innerlijke behoeften (of gestemdheid), neemt hun genegenheid even snel een einde als bij kinderen’; de zin is nogal ingewikkeld geconstrueerd en moet gelezen worden alsof er stond: ‘Vriend no vrient ne es so goet, / De jonst en neimt zaen inde / Ghelijc den jonghen kinde, / Wil elc niet wachten anders moet’; en in r. 5 is niet expletief of ‘ritmisch’, maar het gewone partikel van de nazin die volgt op een voorzin met een ontkenning.
6-8‘waar de ene vriend ter wille van de andere zo oplettend is, dat elk van beiden in een stemming van vriendschappelijke genegenheid blijft, kan geen vervreemding ontstaan’.
12-14steidich ende onsteidich: eenzijdig gerichte polaire verbinding; de dichter wil zeggen dat onstandvastige vrienden als riet door de wind bewogen worden en dat hun genegenheid met hun stemming op en neer gaat als het zeewater met het getij; verg. nog Maerlant, Martijn 1,725/6: ‘ghi sijt alse tcranke riet / dat den winde volghet ende vliet’.
15-16‘wie zich (van twee vrienden) het eerst wispelturig gaat gedragen, heeft, meen ik, nooit echte genegenheid gevoeld’); beghinde is een ongewone verledentijdsvorm, gemaakt ter wille van het rijm.