15‘zo blijf ik onder het banvonnis dat mij de vreugde ontzegt’.
17-22hier gaat de dichter plotseling op quasi-hoofse wijze moraliseren: ‘wie de gunst van de vrouwen verkrijgt en dat dan op een kwalijke wijze pochende gaat rondvertellen, verbeurt met zulke streken het respect van elke echte dame; het zou jammer zijn als hij toch nog succes had, want een echte heer dóet zulke dingen niet’; dit is natuurlijk spot - het tweemaal gebruikte reinlic klinkt ook duidelijk ironisch -, want het hele lied is zo indiscreet en onhoofs als maar mogelijk is.
26-27‘altijd vraagt zij mij datgene wat verwijdering brengt in de liefde te verdragen’.
29in haren vrien wille: ironisch, want de dichter heeft duidelijk laten uitkomen dat hij van zijn ‘vrauwe goet’ niets te verwachten heeft.