[p. 310]
tekstkritische noten
38
Het was een maecht in vruechden rijch,
Si wilde leren bonghen,
2
Daer toe hadzoe hertze ende moet.
Men wijsde haer also meesterlijch
4
5
Wanneer de snaren clonghen,
Soe was so wael des bonghens vroet.
6
Si sprac: 'wel lieve meester mijn,
Doet mi de snaren clinghen!
Haer luden dinct mi zoeter zijn
10
Dan alder duutsche zinghen.
Nu geift mi vort,
[p. 311]
So mi behoort,
Dat recht acoort!
In ghere geen ander dinghen.
15
Wat sal mi zelver ofte gold!
In caens niet al gheprisen
Van der zoeter bonghen clanc.
Anich den stoc in mijn ghewold,
Ic doe mijns meesters wisen,
18-19
20
Dan es de bonghe in haren ganc.
Gheringhe slaen dat hoorter toe
21
Ende wel te pointe stellen,
22
Ende daer ment met ghenouchten doe,
So
salme bet ontsnellen
.
24
25
Wijst mer also,
So mach ic jo,
Blide ende vro,
Al minen commer vellen.
Mijn hertze, mijn zin ende ooc mijn moet
30
Anich hier toe ghegeven
Vor al dat spel dat ye ghewaert.
31
Machic daer toe ghecrighen spoet,
So woldich vroilic leven,
Ende men mi wijst den rechten aert.
34
35
Mijns meisters spel verhueghet mich,
Ich wilt doch wael onthouden.
[p. 312]
Met gansen wille zekerlich
So werdet hem vergouden.
Hi speilt so richt.
40
Sine leven nicht,
Wat mir aen licht,
41
Diet mi verbieden zouden.'
Chanson. Melodie met lai-karakter (regelherhaling). Conjecturen: g′ op ‘vort’ (regel 11) en b op ‘ghere’ (regel 12).
2
bonghen, ‘trommelen’.
4
‘iemand legde haar als een goed leermeester uit’.
6
soe was so, l. so was soe.
18-19
‘als ik de stok in mijn macht heb en ik volg de aanwijzingen van mijn meester’; obsceen bedoeld.
21
gheringhe, ‘snel’.
22
wel te pointe, ‘precies op de juiste plaats’.
24
bovenste regel van een kolom, half weggesneden en grotendeels onleesbaar; ik heb de letterresten zo goed mogelijk in woorden opgevangen en acht
salme
en
bet
vrij zeker, maar geef
ontsnellen
, dat niet bij Verdam voorkomt, graag voor beter.
31
ghewaert, ‘gewerd, plaats vond’(?).
34
‘als men mij de juiste manier leert’.
41
wat mir aen licht, ‘wat mij ook overkomt’.