Rondeel. De 3 regels van couplet 2 worden als die van couplet 1 gezongen met herhaling van de laatste regel. De melodie met haar ambitus c′-c″ en de enigszins als repercussa fungerende g′ is jonisch of C dur van aard. Hierom de slotnoten f′e′d′ tot e′d′c′ verlaagd.
1-2‘wanneer men zich welbewust verre houdt van iemand die men graag ziet, gaat men zich onplezierig voelen’.
3‘door het liefdesgenoegen te mijden raakt het hart uit zijn doen’.
7‘wat het hart zou willen, kan niet gebeuren’; de dichter heeft ingezien dat hij niet langer op de genegenheid van zijn geliefde (Marie) mag hopen; verg. de liederen 41 en 45.
8‘dit heeft het voordeel (ghewin) dat men zich leert schikken, zich leert beheersen (ghevoughen)’.
9vorboucht, hs. v'boucht; ‘het bewustzijn dat het liefdesgenoegen schadelijk voor mij is, houdt mij in toom’; de dichter vergelijkt zich met een getuigd paard dat een riem (vorbouch) voor de borst (bouch) heeft; als reiziger (verg. lied 120) was hij gewend met paarden om te gaan; verg. ook het beeld in de laatste strofe van lied 53.