Rondeel De slotnoten conjectuur naar het voorbeeld van nr. 19.
1L: de beginletter van Liegaert of Lauwerette (verg. de liederen 28 en 30).
2ghecoroneirt, ‘gekroond’; Verdam heeft, ofschoon hij in het algemeen de teksten uit het Gruuthuse-handschrift wel goed heeft geëxcerpeerd, dit woord niet in zijn woordenboek opgenomen (wel croneren); er is een klankassociatief verband tussen vercoren. L. en het kennelijk zeer ongewone ghecoroneirt.
3vuecht: de dichter heeft ook deze onvlaamse vorm gekozen ter wille van de klank; hij werkt in dit lied met dubbelrijmen: vuecht si wel, vruecht no spel, ook stuer no fel, verder vercoren .L. naast in core niet el; men lette ook op de binnenrijmen vuecht (r. 3) en duecht (r. 4), huecht en vruecht (r. 9); het zou de moeite lonen verschillende liederen met weinig ‘inhoud’ eens uit een oogpunt van klankspel, klankcompositie te analyseren.
4‘zij is altijd bedacht op hoofsheid’; de verbinding aviseren up kent Verdam alleen uit het werk van Jan Moritoen.
5no wreet no stuer no fel: drie synoniemen met de betekenis ‘stuurs, onvriendelijk kijkend’.
6wivelic ghefigureirt, ‘minzaam van gelaatsuitdrukking’; verg. figure in de liederen 11 en 13; Verdam kent gefigureert niet in deze betekenis.