Ballade met beginrefrein (eveneens in nrs 80, 94, 109, 119, 129, 130, 131, 134, 141, 142, 144, 147). Hier doet zich de vraag voor: moet eerst het refrein (dat tevens na elke strofe staat), of eerst de strofe met het stollenpaar ‘getoonzet’ worden? In nr. 45 bevindt zich de ‘balladen’-streep met apertum-clausum voor de stollenmelodie ver in de tweede helft; dus eerst het R. en dan de strofe. De streep tot afsluiting van het R. staat bij Carton 1 noot te vroeg (na e′; moet na d′d′ zijn). De slotnoten e′d′ zijn conjectuur volgens 19, 25, 35 enz.; tevens wijst de apertum - clausum - verhouding in de stollen op d′ als finalis.
1solaes, ‘mijn troost, mijn geliefde’;. geschreven na de definitieve breuk met Marie; verg. de liederen 40 en 41.
6vroet: verg. de ‘-wijsheid’ van lied 40: ‘men beschouwt mij als een dwaas, tenzij ik geld zou hebben, welnu, ik wil eens op mijn manier verstandig gaan zijn en afscheid nemen van mijn dwaze liefde’.
7-10waarschijnlijk een toespeling op de schulden waarvoor Jan Moritoen gegijzeld is; verg. lied 49, r. 29/30.
12‘ten aanzien van het geld heb ik weinig succes, ik slaag er niet in credietwaardig te worden’.