terug  begin  verderprepost
[p. 326]

46



illustratie

 
Hoe mocht mi vruechde comen aen?
 
Mijns hertsen troost alleine2
 
Es mi in vreimder wijs ontgaen,
 
Des zijn mijn vruechden cleine.
5
Haddic ye vruecht, nu nanich gheine,5
 
Des moet ic liden lidens pijn.
 
Alst mir gheluct salt anders zijn.7
 
 
 
Mijn hoochste ger, mijns vruechts ghewin,8
 
Es mi al of ghesceiden.9
10
Des moet ic voughen herte ende zin
 
Up hopen ende verbeiden.
 
Mijn waken doet mi vruecht verleiden,12
[p. 327]
 
Int slapen staen de vruechden mijn.
 
Alst mir gheluct etcet.
15
Ghenoughelic slaep, ghenougelic droom,
 
Hier in ic mi verblide.
 
Int waken roeyic jeghen stroom.
 
Daer ic mi toe vertide.18
 
Mijn droom bewijst mi weder zide19
20
Dat mi verblijt haer wijflic scijn.
 
Alst mir gheluct, salt etc.
 
 
 
Nu willic emmer slapen vast:
 
Mi droomt so minnentlijch!
 
Waer ic int waken so gherast,24
25
So waric vruechden rijch.
 
Here God, doet mi daer toe ghecrijch,26
 
Want ic wil bliven haer eighijn.
 
Alst mir etc.
 
 
 
O droom die mi ghenoucht so wael,
30
Hier daer sijt waer int ende!30
 
Du best mir vruechden principael,31
 
So waer ic mi belende.32
 
Die u te mi in slape zende,33
 
Ic blive haer stede in trouwen fijn.
35
Alst mir gheluct etc.
Ballade. Drie slotnoten als finalis, de gebruikelijke conjectuur.
2‘zij die de enige troost van mijn hart is’.
5‘heb ik eenmaal - toen ik nog haar omgang mocht genieten - vreugde gehad, nu heb geen enkele vreugde’.
7‘zal ik gelukkig zijn, dan moet het anders zijn’.
8mijn hoochste ger, ‘zij die mijn hoogste verlangen is’. mijns vruechts ghewin, ‘zij door wie ik vreugde verkrijg’.
9‘is van mij weggegaan’.
12vruecht verleiden, ‘vreugde in verdriet veranderen’.
18‘daar wil ik van afzien’.
19bewijst, ‘verschaft’. weder zide, ‘anderzijds, daartegenover’.
24gherast, ‘vergenoegd’.
26doet mi daer toe ghecrijch, ‘geef dat ik dat verkrijgen mag’; te oordelen naat de plaatsen die Verdam geeft, is deze gekunstelde constructie een vinding van Jan Moritoen.
30‘word op de een of andere manier tenslotte werkelijkheid’.
31principael, ‘kapitaal’.
32mi belende, ‘naar toega’; de dichter zegt dus: ‘droom, jij bent mijn vreugdekapitaal, mijn vast bezit aan vreugden, dat ik overal mee naar toe neem’.
33die u te mi in slape zende, ‘zij die u, droom, mij in mijn slaap toezendt’ (nl. de geliefde, die zich in de werkelijkheid van de dichter heeft gedistantieerd).
prepostterug  begin  verder