terug  begin  verderprepost
[p. 329]

48



illustratie

 
Ic sach in enen rozengaerde
 
Van sconen bloumen maken eenen hoet.2
 
Die gaf een wijf van reinen aerde
 
Enen ouden grisen man die bi haer stoet.
5
Totem so sprac dat beilde zoet:
 
‘Here, ic hebbe u in rechter waerde,
 
U eyghin vry
 
So gevic mi!’8
[p. 330]
 
Mettien sprac hi:
10
‘Des dankic di.’
 
Hi sat daer bi11
 
Met sinen langhen baerde.
 
 
 
Langher doe ic niet ne spaerde.13
 
Ic groete dat wivelic beilde goet.
15
Scaemte in haer doe meest verbaerde.15
 
Si sprac: ‘vilein, mi dinct dat ghi mesdoet,
 
Doet van den bloumen uwen voet,17
 
Maect u van hier ende gaet uwer vaerde!’18
 
Dat wijflic scijn
20
Was eighin zijn.
 
Des hadde ic pijn
 
Int herte mijn.
 
Hi gaf enen grijn,23
 
Des mi de zin verzwaerde.24
 
 
25
Ic sprac: ‘mi wondert, scone vrouwe,
 
Wat ghi versiet an desen kerel out.26
 
Minne ende jonst in rechter trouwe
 
Salic u gheven, zelver ende gout!’28
[p. 331]
 
So gaf mi orlof menichfout.29
30
‘Mi dert’, seit soe, ‘dat ic u scauwe!
 
Laet mi allein
 
Mettem ghemein!
 
Sijn trauwe es reyn,
 
Sijn ontrauwe clein,
35
U ja es nein!
 
Alsulc ic gein ghelauwe!36
 
 
 
Ghestadich hout hi herte ende zinne.
 
Sijn duecht verchiert sijn anscijn scoon.
 
Hier omme eist recht dat icken minne,
40
Den hoet ende ic, dat es sijn loon.
 
Hu minne es hoon, ghi sijts ghewoon!41
 
Dus willic houden dat ic kinne.’
 
De kerel grijs
 
Was haer amijs.
45
Na haer avijs
 
Haddi den prijs.46
 
De vrauwe jolijs47
 
Die nammen bi den kinne.
Chanson met balladische strofen zonder refrein. De zangwijs met stollenherhaling. De melodie is tweemaal overgeleverd, enige gedeelten zijn gelijk; geheel verschillend is het vlotte dialogische deel (de 4 halve regels). De tweede nauwkeuriger versie is hier gekozen. De e″ tegen het einde moet naar de eerste versie leert d″ zijn.
2hoet, ‘krans’.
8het is een omkering van de traditionele hoofse liefdesverhouding wanneer de dame zich ‘eyghin vry’ geeft aan haar minnaar (maar dat is in dit geval dan ook geen ‘here’, maar een ‘kerel’).
11hi sat daer bi, ‘hij ging bij haar zitten’ (verg. stoet in r. 4).
13spaerde, ‘talmde’.
15‘zij toonde zich toen hevig gegeneerd’ (waarschijnlijk ook vanvege het onhoofse gedrag van haar minnaar).
17uit deze regel zou men opmaken, dat de oude man de krans niet op het hoofd heeft gezet, maar, omdat hij er niet goed weg mee wist, voor zich neergelegd; om hem te beledigen zet de dichter dan, terwijl hij nadertreedt om zijn compliment te maken (r. 14), quasi per ongeluk zijn voet op de neediggende krans, misschien ook om uit te drukken dat deze eigenlijk hem, de versmade minnaa toekomt.
18‘maak dat je wegkomt’; verg. in lied 49, r. 12: ‘gaet’.
23grijn, ‘grijns’.
24de zin verzwaerde, ‘ergerde’.
26kerel: een zeer beledigend woord (verg, lied 85), maar de ‘scone vrouwe’ heeft de dichter het niet minder beledigende woord vilein toegevoegd (r. 16).
28zelver ende gout: het aanbieden van geld is ook beledigend bedoeld; de dichter is door zijn geliefde afgewezen vanwege zijn geldgebrek (verg. de liederen 41 en 45) en de ‘kerel’, die zij in zijn plaats heeft verkozen, is blijkbaar rijk.
29so, l. soe.
36alsulc ic gein ghelauwe, ‘zo'n ja (dat neen is) accepteer ik niet’.
41hoon, ‘bedrog’; verg. Jan Praet: ‘Bi dattu daer toe zijs ghewone / dattu gherne sonden plies’ (ed. Bormans r. 2295/6).
46‘volgens haar mening had hij de prijs der overwinning (de krans) verdiend’.
47jolijs, ‘galant, amoureus’.
prepostterug  begin  verder