terug  begin  verderprepost
[p. 332]

49



illustratie

 
Gheldeloze, volghet mi,1
 
Wi willen zinghen een vroylic liet!
 
So wie dat riker es dan wi,
 
Die nes van onsen lieden niet.
5
Maer wie altoos na vruechden spiet,5
 
Die es van onser compaengie.6
 
Wanneer hi drouvelike up mi ziet,
 
So wetic wel hoe hem ghescie.
[p. 333]
 
Ghebrec van gelde ende scamelheit,
10
Dat doet ons toghen drouve gelaet,10
 
Want als een wellecome zeit,
 
De .ij. de .iij. die segghen: ‘gaet’!12
 
So wie gelt heift, elc na hem staet.13
 
Al cant ons lieden niet gheburen,
15
Dus dinct mi sijn de beste raet:
 
Vroilic leven sonder truren!
 
 
 
Sorgheloos ende zonder nijt,17
 
Dats tbeste dat men zinghen mach.
 
Cuenwi duerbringhen dus den tijt,
20
Beter dinc ic nie ne zach.
 
Laetse trueren nacht ende dach
 
Die tgelt besluten in haer scrine!
 
Noch eist beter ghelts verdrach23
 
Dan altoos zonder vruecht te zine.
 
 
25
Heer God, al sijn wi aveloos,25
 
Verleent ons vruecht in onsen zin,
 
Ende hoet ons vor de vrec altoos,27
 
Die niet ne geert dan gelt ghewin!28
 
Ende hoet mi dat ic niet ne bin
30
Int huus ghelet van enigher boete,30
[p. 334]
 
Daer men roupt ter Buerch waert in:31
 
‘Soet, soete Gheraerts! soet, soete Soete!’32
Chanson. Melodie doorgecomponeerd. De beide laatste regels (7 en 8) op dezelfde noten; de finalis echter in regel 7 terwille van de apertum-clausum-verhouding, weggelaten. Andere transcriptie: v. Duyse, Het oude Nederlandsche lied (ONL) II, 1064.
1gheldeloze: behalve uit dit lied geeft Verdam hiervoor alleen plaatsen uit het (16de-eeuwse) spreekwoordenboek van Goedthals; misschien werd het woord ook in de 14de eeuw alleen in spreekwoordelijk verband gebruikt; de dichter maakte dan van een afkeurende qualificatie een erenaam (‘geuzen’).
5na vruechden spied, ‘uit is op vreugden’.
6compaengie: de eerste syllabe is in het hs. een afkortingsteken dat ook als con kan worden opgelost.
10verg. Jan Praet: ‘die doet mi toghen fier ghelaet’ (ed. Bormans r. 1742).
12de .ij. de .iij., ‘twee, drie anderen’.
13elc na hem staet, ‘ieder zoekt zijn gezelschap’.
17sorgheloos, ‘zonder zorgen’; dit stellig heel gewone woord is Verdam toevallig ontgaan; verg. ook Tweede Rose 137; is r. 17 misschien een citaat uit een toen bekend liedje?
23ghelts verdrach, ‘vrijgesteld te zijn van geldbezit’; ironische uitdrukking.
25aveloos, ‘zonder bezit’.
27de vrec: een toespelling op een bepaalde schuldeiser van de dichter?
28gelt ghewin: N. Geerts stelt voor gelts ghewin te lezen, maar zou geltghewin geen samenstelling kunnen zijn?
30int huus ghelet van enigher boete, ‘in het (gevangen)huis gegijzeld om de een of andere schuld’.
31‘terwijl ik de Burg (het plein voor het gevangenhuis) inroep’; blijkbaar maakt de dichter een toespeling op een gebeurtenis die inderdaad, niet al te lang geleden, heeft plaatsgevonden; misschien dat ook nog in de beginletters van de laatste strofe (HVEDEIDS, te lezen als huede i(n) d(en) s(tene), ‘verzekerde bewaring in het gevangenhuis’?) een crypto-acrostichische toespeling te vinden is; grapjes van dit soort heb ik echter verder (nog) niet bij Jan Moritoen aangetroffen.
32Gheraerts, l. Gheraert; de dichter begroet zijn beide vrienden, Gheraert en Soete, die hij over de Burg ziet aankomen en vraagt ze om hulp, althans wanneer men in soet de imperatief van het werkwoord soeten mag zien; de ongewone specialisatie van betekenis (‘veraangenaam mijn omstandigheden, help mij!’) is te verklaren uit een behoefte om met de naam Soete te spelen: naast de eigennaam gebruikt de dichter het gelijkluidende adjectief en de bijna gelijkluidende werkwoordsvorm; zoals ik in de inleiding al uiteen heb gezet, zou ik lied 49, althans het slot daarvan, willen opvatten als een poëtische dank van de dichter voor de steun en bemiddeling die zijn vrienden hem in zijn geldelijke moeilijkheden hadden verleend.
prepostterug  begin  verder