Chanson. Melodie doorgecomponeerd. De beide laatste regels (7 en 8) op dezelfde noten; de finalis echter in regel 7 terwille van de apertum-clausum-verhouding, weggelaten. Andere transcriptie: v. Duyse, Het oude Nederlandsche lied (ONL) II, 1064.
1gheldeloze: behalve uit dit lied geeft Verdam hiervoor alleen plaatsen uit het (16de-eeuwse) spreekwoordenboek van Goedthals; misschien werd het woord ook in de 14de eeuw alleen in spreekwoordelijk verband gebruikt; de dichter maakte dan van een afkeurende qualificatie een erenaam (‘geuzen’).
13elc na hem staet, ‘ieder zoekt zijn gezelschap’.
17sorgheloos, ‘zonder zorgen’; dit stellig heel gewone woord is Verdam toevallig ontgaan; verg. ook Tweede Rose 137; is r. 17 misschien een citaat uit een toen bekend liedje?
23ghelts verdrach, ‘vrijgesteld te zijn van geldbezit’; ironische uitdrukking.
27de vrec: een toespelling op een bepaalde schuldeiser van de dichter?
28gelt ghewin: N. Geerts stelt voor gelts ghewin te lezen, maar zou geltghewin geen samenstelling kunnen zijn?
30int huus ghelet van enigher boete, ‘in het (gevangen)huis gegijzeld om de een of andere schuld’.
31‘terwijl ik de Burg (het plein voor het gevangenhuis) inroep’; blijkbaar maakt de dichter een toespeling op een gebeurtenis die inderdaad, niet al te lang geleden, heeft plaatsgevonden; misschien dat ook nog in de beginletters van de laatste strofe (HVEDEIDS, te lezen als huede i(n) d(en) s(tene), ‘verzekerde bewaring in het gevangenhuis’?) een crypto-acrostichische toespeling te vinden is; grapjes van dit soort heb ik echter verder (nog) niet bij Jan Moritoen aangetroffen.
32Gheraerts, l. Gheraert; de dichter begroet zijn beide vrienden, Gheraert en Soete, die hij over de Burg ziet aankomen en vraagt ze om hulp, althans wanneer men in soet de imperatief van het werkwoord soeten mag zien; de ongewone specialisatie van betekenis (‘veraangenaam mijn omstandigheden, help mij!’) is te verklaren uit een behoefte om met de naam Soete te spelen: naast de eigennaam gebruikt de dichter het gelijkluidende adjectief en de bijna gelijkluidende werkwoordsvorm; zoals ik in de inleiding al uiteen heb gezet, zou ik lied 49, althans het slot daarvan, willen opvatten als een poëtische dank van de dichter voor de steun en bemiddeling die zijn vrienden hem in zijn geldelijke moeilijkheden hadden verleend.