14zie, ‘zeef’; hier als beeld van onbetrouwbaarheid; zië is tweesyllabig, men moet dus ook copië en partië lezen; r. 14 is letterlijk gelijk aan de laatste vier woorden van Martijn 1,22; Jan Moritoen kende zijn Maerlant goed!
15wat wi: blijkbaar een uitbreiding van de interjectie wi, ‘helaas’; verg. owi.
18‘zijn vriendschap staat mij zó ter beschikking’; ironisch.
20ic weet wel wat ic donke, l. hem donke, ‘ik ben er mij heel goed van bewust wat hem van mij dunkt’.
21-22‘ik wil mij helemaal terugtrekken uit die kring (van kroegkennissen), ik kan er niet mee omgaan’.
24-25‘'t kan me niet schelen hoe ze het bekokstoven, als ze mij maar geen beentje lichten’ (lett. ‘verstrikken’).
26‘ik wil in een hoekje wegkruipen om niets te hoeven zeggen en niets te hoeven zien, om stommetje te kunnen spelen’.
28smeekers, ‘pluimstrijkers’; verg. Maerlant, Verk. Martijn 34: ‘smekers hebben dat hogheste leen’.
rouc, ‘aandacht’.
29binden en ontbinden: samen moet dit wel iets als ‘alles gedaan krijgen’ betekenen; is binden ‘vastzetten, de vrijheid benemen’ en ontbinden ‘weer loslaten’? is binden ende ontbinden ‘beschikken over een medemens, met hem spelen als een kat met een muis’?
32‘ik ontzeg u de toegang tot mij, laat mij met rust’.
33God kent die weet, ‘God heeft er weet van’; de dichter wil niet zeggen waar hij naar toegaat (‘waer henen sal’), om niet door zijn ‘vrienden’ lastig gevallen te kunnen worden.
34-35‘als ik van u zou weggaan, zou ik misschien van nut kunnen zijn (dochtic, deugde ik) onder (fatsoenlijke) mensen’.