terug  begin  verderprepost
[p. 337]

51



illustratie

 
Niemen seit van andren wel.
 
Wat mach dit bedieden?
 
Eist om nerenst, eist om spel?
 
Men cant hem niet verbieden.4
5
Wat wonderliker lieden!
 
 
 
Den eenen deert dat dander hoocht,
 
Hem sonder eenighe scade.6-7
 
Ende ware hi mach, hi pijnt ende poocht8
 
Hoe hine tonder dade
10
Met ghevensden rade.10
 
 
 
Om anders val die lieden pinen.11
 
Wie sach noit de copie?12
 
Si sijn viant die vrienden scinen,
 
Ghetrauwe als die zie.14
[p. 338]
15
’Wat wi, welc ene partie!15
 
 
 
Ic vinde sulc, al eist mi leit,
 
Die gerne met mi dronke,
 
Sijn vrienscap es mi so ghereit,18
 
Hi wilde dat ic verzonke.
20
Ic weet wel wat ic donke!20
 
 
 
Tgheselscap wil ic al begeven.
 
In cans niet antieren21-22
 
Ende micken niet up yemens leven.23
 
Mine rouc hoe sijt bestieren,
25
En si mi niet verpieren!24-25
 
 
 
Ic wil gaen duken in den ouc26
 
Ghelijc den stommen blinden.
 
Smeekers hebben al den rouc,28
 
Binden ende ontbinden,29
30
In wils mi niet bewinden.30
 
 
 
Adieu, adieu, gheselscap al,
[p. 339]
 
Mi ic u verbiede!32
 
God kent die weet, waer henen sal:33
 
Of ic van u sciede,
35
Dochtic onder liede.34-35
Chanson. Melodie doorgecomponeerd.
4verbieden, ‘beletten’.
6-7‘het zit de een, zonder dat hij daar enig nadeel van ondervindt, dwars dat de ander in aanzien toeneemt’.
8pijnt ende poocht, ‘pijnigt zich af’.
10met ghevensden rade, ‘met bedriegelijke middelen’.
11‘de mensen sloven zich uit om elkaar ten val te brengen’.
12‘wie heeft ooit iets dergelijks gezien’.
14zie, ‘zeef’; hier als beeld van onbetrouwbaarheid; zië is tweesyllabig, men moet dus ook copië en partië lezen; r. 14 is letterlijk gelijk aan de laatste vier woorden van Martijn 1,22; Jan Moritoen kende zijn Maerlant goed!
15wat wi: blijkbaar een uitbreiding van de interjectie wi, ‘helaas’; verg. owi.
18‘zijn vriendschap staat mij zó ter beschikking’; ironisch.
20ic weet wel wat ic donke, l. hem donke, ‘ik ben er mij heel goed van bewust wat hem van mij dunkt’.
21-22‘ik wil mij helemaal terugtrekken uit die kring (van kroegkennissen), ik kan er niet mee omgaan’.
23micken, ‘loeren’.
24-25‘'t kan me niet schelen hoe ze het bekokstoven, als ze mij maar geen beentje lichten’ (lett. ‘verstrikken’).
26‘ik wil in een hoekje wegkruipen om niets te hoeven zeggen en niets te hoeven zien, om stommetje te kunnen spelen’.
28smeekers, ‘pluimstrijkers’; verg. Maerlant, Verk. Martijn 34: ‘smekers hebben dat hogheste leen’.
rouc, ‘aandacht’.
29binden en ontbinden: samen moet dit wel iets als ‘alles gedaan krijgen’ betekenen; is binden ‘vastzetten, de vrijheid benemen’ en ontbinden ‘weer loslaten’? is binden ende ontbinden ‘beschikken over een medemens, met hem spelen als een kat met een muis’?
30‘ik wil er mij niet mee bezighouden’.
32‘ik ontzeg u de toegang tot mij, laat mij met rust’.
33God kent die weet, ‘God heeft er weet van’; de dichter wil niet zeggen waar hij naar toegaat (‘waer henen sal’), om niet door zijn ‘vrienden’ lastig gevallen te kunnen worden.
34-35‘als ik van u zou weggaan, zou ik misschien van nut kunnen zijn (dochtic, deugde ik) onder (fatsoenlijke) mensen’.
prepostterug  begin  verder