terug  begin  verderprepost
[p. 342]

53



illustratie

 
Een wijf van reinen zeden,1
 
Vulmaect van allen leden,
 
Hovesch ende vroet,1-3
 
Die heift mi ghebeiden
5
In ghestadicheiden
 
Te vougene hertze ende moet:4-6
 
‘Quaet aeste es al ontspoet!’7
 
 
 
Doe seidic: ‘werde vrouwe,
 
Ghestadich ende ghetrauwe,
10
So willic emmer zijn,
 
Up dat ic trauwe gelauwe.11
 
Nu blivic in den rauwe:
 
Men doet mi geene anscijn,13
 
Verlangen doet mi pijn.’14
 
 
15
Dat wijf van herten reine
[p. 343]
 
Die sprac: ‘die minne es cleine
 
Die verlangen doet.
 
Mindi anders geine,
 
So blijft met haer ghemeine,
20
Gheift u in haer behoet.19-20
 
Quaet aeste es al onspoet!'
 
 
 
‘Vrauwe, in caent gelaten.22
 
Al soudser mi omme haten!
 
So heift de hertze mijn.
25
Ic truere boven maten,
 
Ic claghe, en mach mi baten
 
Niet een vingerlijn.26-27
 
Verlangen doet mi pijn.’
 
 
 
Si sprac: ‘ghi sult u houden
30
Vroilic, ende verbouden30
 
Inder minnen gloet,
 
Al souddi u bescouden!32
 
Ne latet niet vercouden:33
 
Na tzuere comet tzoet,
35
Quaet aeste es al ontspoet!’
 
 
 
Doe andwordic hare:
[p. 344]
 
‘Bi den goeden jare,37
 
Ic ben een arem swijn.
 
So waer ic henen vare,
40
In werde niet geware
 
An haer alsulken fijn.41
 
Verlangen doet mi pijn.’
 
 
 
Hi sprac: ‘die wil becliven43
 
In te minnene wiven,
45
Die wachte na de vloet
 
Ende doe sijn sceipkin driven.
 
Laettijt te lange bliven47
 
En doet hem nummer goet:
 
Quaet aeste es al ontspoet!’
 
 
50
Nu laet ons wachten alle:
 
Als ons de tijt gevalle,51
 
So wilwi wacker zijn,
 
Dat men ons niet vergalle.53
 
Die tpaert heift binden stalle,
55
Verware sijn slotelkijn!
 
Verlangen doet mi pijn.
Chanson Enigszins balladisch: 2 stollen + R (a a b a a b B). De oneven strofen hebben een ander R dan de even. Andere transcriptie: ONL I, 283; Het eenst. lied 65 vv.
1een, hs. EEen.
1-3zonder haar zo te noemen stelt de dichter ons hier kennelijk ‘vrau Redene’ voor.
4-6‘die heeft mij gevraagd om mijn geest te schikken in standvastigheid, om rustig en beheerst te blíjven liefhebben (in afwachting van het definitieve jawoord)’.
7‘overhaasting leidt tot niets’.
11‘als ik maar trouw ontvang’.
13‘men laat mij geen (trouw) blijken’.
14verlangen, ‘ongeduld’.
19-20‘blijf als hoofs minnaar bij haar, in haar dienst’.
22‘ik kan het niet laten (ongeduldig te zijn)’.
26-27en mach mi baten niet een vingerlijn, ‘het kan mij volstrekt niets helpen’; verg. ook Jan Praet r. 2588: ‘niet een vingherlijn’; hoe vingerlijn aan de betekenis ‘kleinigheid’ is gekomen, blijkt niet duidelijk; men denkt onwillekeurig aan ‘vingerhoed’ (oorspronkelijk ‘vinger van een handschoen’), maar bij de plaatsen die Verdam van vingerlijn geeft, kan ik deze betekenis niet vinden; misschien speelt de dichter op deze plaats tegelijk met de bet. ‘vingerring (als teken van trouw)’: al zijn treuren en klagen levert hem immers niet de ring op waar het hem om te doen is! verg. lied 75, r. 34.
30verbouden, ‘dapper, sterk worden’; de bedoeling is: ‘je moet nog vuriger gaan beminnen’.
32‘al zou hij (de gloed) je verzengen’.
33‘laat de liefde niet verkoelen’.
37wijst deze regel erop dat ook dit lied omstreeks een jaarswisseling geschreven is? wellicht in dezelfde tijd als lied 75?
41alsulken fijn, ‘een zodanige afloop’, nl. dat na het zure het zoete zal komen.
43hi, l. si.
becliven, ‘voorspoedig zijn, succes hebben’.
47laettijt, ‘'s avonds laat’; zie ook wat in de inleiding over deze plaats gezegd is (blz. 152).
51‘als het goede tij voor ons komt’.
53‘dat men dat goede ogenblik niet voor ons bederft’; de dichter heeft met ‘men’ waarschijnlijk de altijd aanwezige en iedere hoofse liefdesverhouding bedreigende kwaadsprekers op het oog.
prepostterug  begin  verder