55‘geld en drank zinken als voorwerpen van liefde in het niet bij een hoofse dame’; misschien heeft de kopiist es overgeslagen tussen minne en clein, maar het lijkt mij ook niet onmogelijk om clein als een werkwoordsvorm op te vatten (‘wordt klein, gering’, conj. praes. van cleinen).
68-70‘de hebzuchtige heeft, al zou de hele wereld van hem zijn, nooit vreugde, als een schone vrouw ze hem niet geeft’.
73-74‘en dít maakt mij zo wrevelig: ik kan (bij de vrouwen als arme jongen) geen trouw vinden’.
75verg. Jan Praet: ‘wien soude soe moghen minnen dan?’ (ed. Bormans r. 1960).
80-82‘je zult niet geprezen worden om wat je nu doet, maar onthoud wat ik je gezegd heb: geen verdrietiger verdriet dan afscheid nemen van je geliefde’.