terug  begin  verderprepost
[p. 352]

56



illustratie

 
Scinc her den wijn,
 
Gheselle mijn,
 
Wi willen vroilic leven!
 
Het mach sulc zijn
5
Noch up den Rijn
 
Die ons geluc mach geven,
 
Al moeten wi nu sneven!4-7
 
 
 
Wat saelt ghetruert?
 
De sulc bezuert,
10
Een ander moet bezoeten.9-10
 
Wat mi ghebuert,
 
Ic willecuert:12
 
God saelt noch tjaren boeten,
 
Dat wi nu trueren moeten!14
[p. 353]
15
In vruechden vro
 
Sinc wi also:16
 
Wi willens ons verbliden!
 
Wine achtens jo
 
Een averstro!18-19
20
Die ons daer om beniden.
 
God geve hem al ons liden!
 
 
 
God geve hem heil
 
Met vruechden geil23
 
Wie metten vrauwen hoven!24
25
Al heift een veil25
 
Den wint in tzeil,
 
Hi mach hem wel beloven,27
 
Es hi des nijts te boven.
 
 
 
Wel op, wel aen,
30
Laet niden staen
 
Ende leven wi metter eere!
 
Met niders gaen,
 
Onnere ontfaen
 
Van haren bozen kere,33-34
35
Elc man hem hoeden lere!
chanson. Melodie doorgecomponeerd. Laatste regel herhaald. ONL II, 1086.
4-7‘misschien woont er nog wel iemand aan de Rijn (nl. een wijnbouwer) die ons geluk kan schenken in onze tegenwoordige ongelukkige toestand’.
9-10‘de een doet de moeite, een ander heeft er het plezier van’.
12ic willecuert, ‘ik vind het goed, ik leg er mij bij neer’.
14‘God zal het nog wel eens (tjaren) goedmaken’.
16sinc wi, ‘zingen wij’; r. 17 is hierbij het object.
18-19‘wij geven er geen zier om’; als uitdrukking voor een kleinigheid is haverstro alleen op deze plaats bekend; waarschijnlijk is het een persoonlijke gelegenheidsvariant van de dichter van het in deze zin algemeen gebruikelijke stro (dat hij zelf ook in de liederen 142 en 144 gebruikt).
23geil, ‘geheel’.
24hoven, ‘feestvieren, gezellig verkeren’.
25veil, ‘veel, vele malen’.
27hem beloven, ‘dankbaar zijn’.
33-34‘te schande gemaakt worden door hun gemene streken’.
prepostterug  begin  verder