[p. 354]
tekstkritische noten
57
Sonder nommer of ghetal
1
So hebbic vruecht bezeven:
2
Die ic minne, mi minnen zal,
So heift mi troost ghegeven,
4
5
Nu willic vroilic leven!
Wie weet of ics geloven wil,
Want ic ne weets niet zelve.
Haer troost heift in tverstaen ghescil.
8
Hoe ict keere of welve,
9
10
Om niet ic dike ende delve.
10
Soe heift geseit, soe sal mi minnen.
Dus heift zoe haer vermeten.
12
[p. 355]
Maer weltijt salzoes beginnen?
13
Dat soudic gerne weten.
15
Ic duchte, soe saels vergeten.
Vergeit soet ende ict haer verwite,
Wat hebbic dan gewonnen?
So salzoe secghen: ‘sceldet quite!’
18
Wat doetem yet begonnen
20
Die niet verbeiden connen?
19-20
Dus willic beiden ende verdraghen.
Laet zien, wat zaelt mi baten?
In hebbe int zwighen no int claghen
No ghedaen no ghelaten.
24
25
Ic peinse, ic bem verwaten.
25
Ghetrouwe minres, roup wi wrake
Over zulke wiven,
Die int ghelaet ende in de sprake
28
In minnen troost bedriven
30
Ende niet daer bi ne bliven!
Chanson. Melodie hymnisch (doorgecomponeerd). ONL I, 525.
1
‘eindeloos veel, mateloos’.
2
‘heb ik vreugde’;
bezeven
(eig. ‘beseft’) heeft hier vrijwel geen betekenis.
4
so, l. soe.
8
‘je kunt haar troost verschillend opvatten, 't is maar wat je onder haar troost verstaat’.
9
welven, ‘wenden’.
10
‘voor niets sta ik te graven en te spitten’.
12
‘zo heeft ze mij stellig verzekerd’.
13
weltijt, ‘op welke tijd, wanneer’.
18
sceldet quite, ‘beschouw de zaak maar als afgedaan’.
19-20
‘wat baat het hun met iets (nl. een liefdesverhouding) te beginnen, die niet kunnen afwachten’.
24
no ghedaen no ghelaten: eenzijdig gerichte polaire verbinding; de bedoeling is: ‘ik heb noch met in stilte dulden, noch met klagen iets uitgericht’.
25
verwaten, ‘in de ban, geëxcommuniceerd’.
28
int ghelaet, ‘in hun gedragingen, de houding die zij aannemen’.