terug  begin  verderprepost
[p. 356]

58



illustratie

 
Ich haen ghemint,
 
Men achtes twint.2
 
Ic moet mijn liden claghen.
 
Het es al wint4
5
Dat men nu vint
 
In al die minne draghen.
 
Men darffer niet om vraghen,
 
Ic hoors so vele ghewaghen.7-8
 
 
 
Die nu wil minnen,
10
Moet beghinnen
 
Spreiken jeghen meenen,11
 
Sal hi gewinnen
 
Paeis van zinnen,13
 
Of hi saelt beweenen.
[p. 357]
15
Van .xvij. eenen15
 
Sone vint men anders gheenen.
 
 
 
Hoe eist ghevaren?
 
Die minres waren,
 
Ne willens nemmeer ayen,19
20
Want zi zien tjaren20
 
Trauwe versparen21
 
Ende ontrouwe boven draeyen.
 
Dus moetsi, sulzi payen,23
 
Met allen winde wayen.
 
 
25
Mint een wijf
 
In trauwen stijf,
 
Ghef di in haer ghenade,
 
Ghestade blijf,
 
Maer dijn beclijf
30
Dan doet di nummer stade.25-30
 
Nu ganc haer vast te rade,31
 
Maer hoeti deser scade!32
 
 
 
Trueren, waken,
 
Magher caken,
35
Selden sonder toren,35
[p. 358]
 
Breken, maken
 
Niet gheraken
 
Achter meer dan voren,36-38
 
Dit moeter al toe horen
40
Ende alden tijt verloren.
 
 
 
Mint ende beziet:
 
Vindi dit niet,
 
So muechdijs u beloven.42-43
 
Ic zinghe een liet,
45
Ende alst ghesciet
 
Dat ic bem wat bestoven,46
 
Willic met vrauwen hoven,47
 
Maer niet daer an verscoven!48
Chanson. Melodie in baarvorm (stol- tegenstol-afgezang).
2‘men (d.i. de geliefde) heeft er niet de minste aandacht aan geschonken’.
4wint, ‘opgeblazenheid, ijdel vertoon’.
7-8‘je behoeft er niet (uitdrukkelijk) om te vragen, je hoort er (ook zonder dat je er naar vraagt) genoeg over spreken’.
11spreiken jeghen meenen, ‘huichelen, een rol spelen’.
13paeis van zinnen: hier ter aanduiding van een vriendelijke bejegening van de zijde van de geliefde.
15xvij: ter aanduiding van een onbepaald (groot) aantal, versterking van seven dat ook in deze zin gebruikt wordt; ‘er is er niet een op de zeventien anders’ wil dus zeggen ‘ze zijn bijna allemaal zo’; lees: seventienen.
19‘willen het (d.i. de moeiten van de hoofse liefdedienst) niet meer verdragen’.
20tjaren, ‘tegenwoordig’.
21trauwe versparen, ‘een spaarzaam gebruik maken van trouw’; ironisch.
23payen, ‘voldoen’.
25-30‘je kunt een vrouw nog zo trouw liefhebben, je (op hoofse wijze) in haar dienst stellen en standvastig daarin volharden, je volharding (beclijf) zal je in geen enkel opzicht baten’.
31ganc haer vast te rade, ‘vraag haar voortdurend om raad’, hier: ‘doe alsof je je geheel in haar dienst stelt’.
32‘maar zorg ervoor dat je niet zonder enige beloning voor je liefdedienst wordt afgescheept’.
35toren, ‘verdriet’.
36-38‘je ter beschikking stellen van de geliefde, zodat ze je kan maken en breken, zonder dat je er iets mee opschiet’.
42-43‘als je dit niet zo bevindt, als je andere (meer positieve) ervaringen met de liefde hebt, mag je dankbaar zijn’.
46wat bestoven, ‘een beetje dronken’.
47met vrauwen hoven, ‘vrolijk zijn in het gezelschap van vrouwen, een beetje vrijen’.
48‘maar niet daardoor uit mijn voegen gerukt worden’; de betekenis van verscoven, dat verder in het mnl, niet is aangetroffen, moet uit het verband worden opgemaakt; zie Verdam s.v.
prepostterug  begin  verder