Tussen lied 60 en 61 ontbreekt een dubbelblad, het middelste van het quatern. Op de laatste kolom van dit dubbelblad hebben de eerste 8 regels van lied 61 gestaan. Onder lied 60 staat in het handschrift de melodie genoteerd van het eerste der ontbrekende liederen, waarvan de tekst op de eerste kolom van het ontbrekende dubbelblad moet hebben gestaan en dat we ‘60a’ kunnen noemen (zie de reproductie achterin).
6het rijmwoord moet reine geweest zijn; de volgorde van de andere woorden staat niet vast.
7-8gezien het vervolg is het wel waarschijnlijk dat het rijmwoord van r. 7 vive geweest is en dat in r. 8 het woord eerste of eene heeft gestaan; omdat in r. 10 van des anders en in r. 13 van den derden gesproken wordt, is het aannemelijk dat er in r. 7 een mannelijk substantivum gestaan heeft; de opzet van dit lied herinnert aan r. 4016/27 van Jan Praet:
19ghecroont: op grond van dit beeld zou men kunnen veronderstellen dat Minne, Jonste, Troost, Antieren en Ghestadicheit elementen of attributen van een ‘crone’ geweest zijn.
21‘met recht kan ik verwachten van uwentwege troost te zullen smaken’.
22-23‘geen enkel voordeel zou mij ertoe kunnen brengen om aan iets (iemand) anders de ereplaats in mijn gedachten te geven’.