[p. 368]
tekstkritische noten
64
Hoe mochtic leven sonder rauwe,
Als trueren moet mijn liefste vrauwe,
Want onser beider zin es een!
Als soes mi jan, ic vruecht gelauwe,
4
5
Soe es mijn liefste ende liever geen!
Ghestadicheit ende vaste trauwe.
Dit es daer ic niet in en flauwe,
Want hets mijn ervelike leen.
8
Hoe mochtic etc.
10
Lief, als ic u vroilic scauwe,
10
Mids uwen troosteliken dauwe,
[p. 369]
Al ware dat herte mijn een steen,
Het soude ondoen in sulken bauwe.
11-13
Du best mijn liefste ende liever geen!
15
Hoe mochtic etc.
Rondeel. Couplet 1 (a a b) wordt volgens de melodische passus 6, 7, 8 gezongen; couplet 2 (aabab) volgens 6, 7, 8, 6, 8.
4
gelauwe, ‘verkrijg’.
8
mijn ervelike leen, ‘mijn voortdurend, onvervreemdbaar bezit’.
10
‘als ik u vrolijk (d.i. niet stug, niet teruggetrokken tegenover mij) zie’.
11-13
‘door de dauw van uw troost zou de grond van mijn hart zich ontsluiten en vrucht gaan dragen’;
bauw
betekent hier ‘bebouwing, verzorging van de akker’.