Chanson met refreinregels afwisselend in de even en oneven coupletten. Na de beginf′ een ruimte; hierin d′ gelezen. De regels in reprise (3, 4 en 7) stemmen in metrum niet overeen met de regels 1, 2 en 6.
9corentas: Verdam geeft geen andere plaatsen dan uit dit lied en lied 86; verg. voor de omgeving waarin men zich de scène van Wouter en Lijskin mogelijk moet denken de commentaar bij het laatstgenoemde lied.
11tswingen tvlas, ‘het vlasbraken’; hier een verbloemende uitdrukking voor de coitus.
22minne, ‘liefje’. hout up dijn hant: om de ‘koop’ bij handslag te sluiten.
23‘je zult er nog voor betaald worden’; in de volgende regels neemt Lijskin het door Wouter gebruikte beeld op door hem goet calant, ‘beste klant’, te noemen en hem naar de ‘prijs’ te vragen waarmee hij het haar wil ‘betaald zetten’.
29drael: Verdam veronderstelt, m.i. terecht, dat dit verder niet aangetroffen woord een verkorting van draelgast, ‘klaploper’, is; ook hierdoor geeft Lijskin dan te kennen dat Wouter naar haar mening geen middelen bezit om te ‘betalen’, dat hij in het sexuele maar een ‘armoedzaaier’ is.
30-32‘wat voor een verzekering wil je hebben? déze krijg je van me, van ganser harte, dat je ouwe ribbenkast een slecht jaar tegemoet gaat!’; Lijskin wenst hem dus toe dat hij, ‘zwak’ als hij is, alle mogelijke ziekten zal krijgen: ‘krijg de kolere!’
34ysere is hier het beeld van het zwakkere, zachtere, stael van het sterkere, hardere.
39‘zij sloeg haar handen voor het gezicht’; N. Geerts stelt voor slouchen te lezen (‘zij sloeg hem in het gezicht’); het hangt er maar van af hoe men Lijskin bekijkt.
41-42‘ik mag een sukkel zijn als ik je niet tem!’; dit slot veronderstelt m.i. dat de coitus wel degelijk plaatsvindt en dat Lijskin Wouter alleen maar heeft willen ophitsen.