terug  begin  verderprepost
[p. 386]

74



illustratie

 
Als alle dinghen sijn ghesaecht,
 
So hebbic liefst dat men ghewaecht
 
Van huer die mi verbliden can.1-3
 
 
 
Daer omme en doet geen noot ghevraecht,
5
Of yemen anders liden draecht!4-5
 
 
 
Als alle dinghen sijn ghesaecht,
 
So hebbic liefst etc.
 
 
 
Een wijflic beild mi so behaecht,
 
Al truerdet al dat dach bedaecht,
10
Ic loughe, waric haer liefste man!9-10
[p. 387]
 
Als alle dinghen sijn ghesaecht,
 
So hebbic liefst dat men ghewaecht
 
Van haer die mi verbliden can.
Rondeel.
1-3‘als men over álles spreekt, heb ík het liefst dat men spreekt over de vrouwe die mijn hart verheugt’; de dichter kan hier niet mee bedoelen dat zij een algemeen onderwerp van gesprek moet worden - het behoorde juist tot de hoofse code dat de minnaar de naam van zijn dame moest verzwijgen -, maar alleen dat zijn liefde het enig zeggenswaardige is van alles wat er gezegd kan worden.
4-5‘in vergelijking daarmee is het volstrekt (onbelangrijk en) onnoodzakelijk te informeren naar het (liefdes)leed van anderen’.
9-10‘al zou al wat de zon beschijnt treuren, ik zou nog lachen, wanneer ik maar haar liefste vazal mocht zijn’; verg. lied 79, r. 12.
prepostterug  begin  verder