1-3‘als men over álles spreekt, heb ík het liefst dat men spreekt over de vrouwe die mijn hart verheugt’; de dichter kan hier niet mee bedoelen dat zij een algemeen onderwerp van gesprek moet worden - het behoorde juist tot de hoofse code dat de minnaar de naam van zijn dame moest verzwijgen -, maar alleen dat zijn liefde het enig zeggenswaardige is van alles wat er gezegd kan worden.
4-5‘in vergelijking daarmee is het volstrekt (onbelangrijk en) onnoodzakelijk te informeren naar het (liefdes)leed van anderen’.
9-10‘al zou al wat de zon beschijnt treuren, ik zou nog lachen, wanneer ik maar haar liefste vazal mocht zijn’; verg. lied 79, r. 12.