[p. 396]
tekstkritische noten
78
Die liefste jonst van erderijch,
Dats minne
Van tween die bliven eens ghelijc
3
Van zinne.
5
Here God, helpt mi dat ic ghewinne
De jonst allein
Die ic begher, wes ich beghinne,
7
In trauwen rein!
Mijn hertze aet minnentlijch ghevaen
10
Een vrauwe.
9-10
Haer willic wesen onderdaen
Up trauwe.
Mi huecht veil bet als icse aenscauwe
Dan eenich goet.
13-14
15
Soe es alleine die mi den rauwe
Verdriven doet.
[p. 397]
Up erde en soude men zoeter wijf
Niet vinden.
In haer willic ziele ende lijf
20
Vast binden.
Ic hope, so wils mins onderwinden.
21
Des bem ic vro.
Wat zi mi jan of toe wil zinden,
Ic wilt alzo.
25
Alle duechden sijn haer an
Gheboren,
Anders blevic arem man
Verloren.
27-28
In haren dienst bem ic bezworen
30
Eighin vry.
29-30
Sorge ende pijn ende allen toren
Verdrijft zoe mi.
Die liefste jonst etc.
Chanson. 3 beginnoten conjectuur volgens
142
. De finalis d′ verdubbeld.
3
eens ghelijc (l. ghelijch), ‘eenstemmig’; bij Verdam geen andere plaatsen.
7
wes ich beghinne, ‘wat ik ook onderneem’; stoplap.
9-10
‘een vrouwe heeft mijn hart door de kracht van de liefde gevangen genomen’.
13-14
‘als ik haar zie, verheugt mij dat veel meer dan enig aards bezit’.
21
‘ik hoop dat zij zich mijn lot zal aantrekken’.
mins: het hs. heeft
mi
met streepje boven de
i
en een superscripte
s
.
27-28
‘anders (nl. wanneer ik niet, op grond van de haar aangeboren deugden, hoop kon koesteren) zou ik, arme, te gronde gaan’.
29-30
‘ik ben door mijn eed als slaaf in haar dienst verbonden’.