terug  begin  verderprepost
[p. 398]

79 +



illustratie

 
‘Dijn troost allein!1
 
In trauwen rein
 
So bem ich dijn.
 
Vor di ne gein,
5
No groot no clein!’4-5
 
‘Wilt vroilic zijn.’
 
‘Dijn lieflic scijn
 
Mi alle pijn
 
Verdriven can,
10
Die hertze mijn
 
Es dijn eighijn!’
 
‘Mijn liefste man!’12
[p. 399]
 
‘In wil di nummer sceiden van!13
 
 
 
‘Ghelooft mir das:
15
Hoe drouve ich was
 
Of wesen sal,
 
Mi ganstu ras
 
Ende altzijt bas,17-18
 
Sonder ghetal.
20
Leit ende gheval20
 
Gheifstu mi al!’
 
‘Wes vroilic dan!’
 
‘Mir hertzen dal23
 
Es groot ende smal
25
In dijn ghespan,
 
In wil’ etc.
 
 
 
‘Ic zorghe in mi
 
Dattu in di
 
Ghetwifels yet.’
30
‘Of dit waer zi,
 
Daer hebbic bi
 
Rouwe ende verdriet.’
 
‘Wat mi ghesciet,
 
Des stervens spiet
35
En comt mi an34-35
 
In sceider niet.
[p. 400]
 
So lief aenziet37
 
Ich nie gewan,
 
In wilde di’ etc.
 
 
40
So waer ich bin,40
 
In peinse niet min
 
Dan of ic waer
 
In dinen zin,
 
Vor al ghewin
45
Hopicker naer.
 
Al mine jaer
 
Met vruechden gaer47
 
Ich di mi jan.’
 
‘Der ingle scare49
50
U leven spare50
 
Vor tsviants ban.’51
 
‘In wil di nummer sceiden van!’52
Ballade. Wolf Kongreßber.
+De volgorde van de strofen is niet zeker, doordat de kopiist ze in twee kolommen heeft geschreven. In de tekst zijn de beide bovenste strofen als 1 en 2, de beide onderste als 3 en 4 beschouwd. Het is ook niet overal duidelijk welke zinnen in deze minnedialoog aan de man, welke aan de vrouw moeten worden toegekend (verg. het verwante lied 118). Het hs. geeft geen enkele aanwijzing en de interpretator moet dus op zijn gevoel afgaan. In ieder geval begint de man alle strofen en het lijkt mij ook wel hoogstwaarschijnlijk dat hij ze alle afsluit met de regel ‘In wil di nummer sceiden van’. De strofevorm is een variant van het ‘motet’ van Jan Praet (met zekere rijmcomplicaties en een afsluitende 13de regel).
1een betere aanhef zou men krijgen, wanneer men als eerste woord Mijn las; de gekleurde initiaal kan verkeerd zijn ingevuld; de vertaling zou dan worden: ‘Gij die mijn enige troost zijt’.
4-5‘boven u (verkies ik) niemand, wie dan ook’.
12liefste man, ‘liefste vazal’; verg. lied 74, r. 10.
13het laatste woord ontbreekt in het hs.
17-18‘gij geneest mij snel en altijd meer, zonder einde’.
20in het hs. ontbreekt ende; de gewone verbinding is lief ende leit, maar het rijm heeft de dichter gedwongen lief te variëren tot gheval, ‘geluk’.
23mir hertzen dal: ongewone uitdrukking; de bedoeling van r. 23-25 moet wel zijn: ‘alles zonder uitzondering (groot ende smal) wat zich in (het landschap van) mijn hart bevindt, voelt zich met u verbonden’.
34-35‘tenzij de dood mij met zijn speer velt’.
37aenziet, ‘aanblik’; niet bij Verdam en waarschijnlijk dus een door het rijm ingegeven persoonlijke variant van aenzien.
40so: de gekleurde hoofdletter waarmee de strofe had moeten beginnen, is niet ingevuld.
47gaer, ‘geheel en al’.
49scare, l. scaer (N. Geerts).
50spare, l. spaer. (N. Geerts).
51tsviants ban: variant van die helsche ban, ‘de helse verdoemenis’.
52in het hs. ontbreekt di.
prepostterug  begin  verder