terug  begin  verderprepost
[p. 401]

80



illustratie

 
Sonder sceiden orlof aen!1
 
Want ich en wil noch ich en caen
 
Ghesceiden, hoochste troost, van dich!
 
 
 
Hertze ende moet es eighin dijn,
5
So waer ic henen vare.
[p. 402]
 
In wil els niemen eighin zijn,
 
Dat vintstu openbare.6-7
 
Here God, of ic dan bi u ware.8
 
Was mochte dan ghescaden mich!9
 
 
10
Sonder sceiden etc.
 
 
 
In di vindic ghestadicheit.
 
Soudic mi els bewinden?12
 
Dat waer grote onghenadicheit,13
 
Dune salles niet bevinden.
15
In di willic mijn hertze binden
 
Met gansen truwen zekerlijch.
 
 
 
Sonder sceiden etc.
 
 
 
Al waer de ganse werelt mijn,
 
Du bleifs mijn troost alleine.
20
Du gheifs mi vruecht vor alle pijn,
 
Met trauwen ich das meine.
 
Alle vruecht waer mi tse cleine,
 
Bleifstu niet mijn ghetruwelijch.22-23
 
 
 
Sonder sceiden etc.
 
 
25
Du muechs mi gheven lief ende leit,25
[p. 403]
 
Vor al dat leift up erde.
 
Hoe nauwe het mi van vruechden steit27
 
Of wes mi ye ghederde,
 
Du blijfs mijn heil, mijn hoochste werde,
30
Daer tzoe bestu mijn hemelrijch.
 
 
 
Sondet sceiden etc.
Ballade met beginrefrein. Vergeleken met nr. 81 is de bouw gelijk: R.3 regels, strofe 6 regels, alle omstreeks 8 lettergrepen; ook de melodische bouw is analoog. De vraag (zie 45) doet zich voor: moet de tekstplaatsing met het R. of met de strofe beginnen? Het notendeel vóór de streep bij 80 laat zich evengoed over de 3 refreinregels als over de 2 X 3 strofenregels verdelen. Op de lettergrepen ‘ghe-scei-’ (regel 3) f' en d' uit de vorige ‘zin’ herhaald.
1‘zonder dat ik van u scheid toch te moeten heengaan!’; ik vat aen op als ‘hebben’; den orloj hebben is volgens Verdam ‘wel kunnen heengaan, best gemist kunnen worden, zijn congé krijgen’; dit past in de situatie van de ‘tweede fase’, na het conflict tussen de dichter en Mergriete waarover het 6de gedicht ons inlicht; Verdam heeft MW 5, 840 aen opgevat als de imperatief van onnen, ‘toestaan’, en dan moet de vertaling luiden: ‘sta mij toe afscheid te nemen zonder dat ik van u scheid’; tegen Verdams opvatting zijn echter verschillende bedenkingen aan te voeren: de gewone imperatief die Jan Moritoen gebruikt is jon en de a pleegt voor een n niet gerekt te worden; vat men aen op als ‘hebben’, dan kan men de kunstmatig gerekte a in caen verklaren door rijmdwang; tenslotte: de dichter wilde in de aangeduide situatie helemaal geen afscheid nemen en kon zijn geliefde dus ook moeilijk vragen hem een afscheid ‘toe te staan’!
6-7‘ik wil van niemand anders de slaaf (d.w.z. de hoofse minnaar) zijn, dat kunt ge toch duidelijk vaststellen’.
8uit deze regel blijkt duidelijk, dat de dichter verlangt en hoop koestert om weer bij zijn geliefde te mogen zijn.
9‘dan zou geen kwaadsprekerij mij kunnen deren’; verg. lied 83, r. 25.
12‘zou ik mij dan met iets anders bezighouden?’ (t.w. met iets anders dan ‘ghestadicheit’; minder waarschijnlijk: met een andere geliefde).
13onghenadicheit, ‘snoodheid’.
22-23‘als gij niet getrouwelijk de mijne zoudt blijven, zou dit gemis door geen enkele vreugde gecompenseerd kunnen worden’.
25verg. lied 62, r. 19 en 88, r. 26.
27‘hoe slecht het er ook, wat de vreugden betreft, met mij voorstaat’.
prepostterug  begin  verder