Ballade. Het notendeel vóór de streep is lets te kort voor de strofe. Wel laat het R. met regel 2 en 3 in herhaling zich hier plaatsen.
3troutzaerte, ‘tedergeliefde’; deze verbinding van traut en zart is buiten dit liedboek niet in het mnl. aangetroffen; verg. troutliefste in lied 93, r. 24.
5-6‘al is uw lieflijk gelaat nu verre van mij, mijn hart is daarom toch even dicht bij u’.
11moet mi verlangen, ‘moet de tijd mij lang vallen’.
12troutzalich: ‘naar het Hd. (Mhd.)’, zegt Verdam, ‘hoewel een bnw. ‘*trautselig’ aldaar niet schijnt voor te komen’; zou het geen persoonlijke formatie van Jan Moritoen kunnen zijn? of pleit het voorkomen van trousalich in enkele liederen uit het Antw. Liedb. daartegen? heeft het werk van onze dichter, bv. via de latere Brugse rederijkerskamer, ook invloed uitgeoefend buiten de kleine kring van zijn directe plaats-en-tijd-genoten?