terug  begin  verderprepost
[p. 404]

81



illustratie

 
Dat niemen es, bestu alleine
 
Ende blijfs al mine jaer!
 
Gheloof mi das, troutzaerte reine,3
 
Du sallest vinden waer.
5
Mijn hertze die es di even naer,
 
Al es mi verre dijn lieflic scijn.5-6
 
 
 
Wat mach vervreimden mi van di,7
 
Vrouwe, of ich dijn eighin zi
 
Ende du dan blijfs met trauwen mijn?
 
 
10
Mijn hope es al mijns leits verdrijf,
[p. 405]
 
Nochtan moet mi verlangen.11
 
Dats al om dis troutzalich wijf,12
 
Want du mich aes ghevanghen.
 
In wil, in can di nicht ontgangen,
15
Up minen heit, dor enighe pijn.
 
 
 
Wat mach etc.
 
 
 
Nu blijf ghestade, lief wijflijc beilde,
 
Want in was nie ghestader.
 
Du best allein mijn hoochste weilde,
20
Dus bliven wi te gader.20
 
Al addic een onsteidich ader,21
 
Dijn duecht doet mi ghestade zijn.
 
 
 
Wat mach vervreimden etc.
Ballade. Het notendeel vóór de streep is lets te kort voor de strofe. Wel laat het R. met regel 2 en 3 in herhaling zich hier plaatsen.
3troutzaerte, ‘tedergeliefde’; deze verbinding van traut en zart is buiten dit liedboek niet in het mnl. aangetroffen; verg. troutliefste in lied 93, r. 24.
5-6‘al is uw lieflijk gelaat nu verre van mij, mijn hart is daarom toch even dicht bij u’.
7vervreimden, ‘verwijderen’.
11moet mi verlangen, ‘moet de tijd mij lang vallen’.
12troutzalich: ‘naar het Hd. (Mhd.)’, zegt Verdam, ‘hoewel een bnw. ‘*trautselig’ aldaar niet schijnt voor te komen’; zou het geen persoonlijke formatie van Jan Moritoen kunnen zijn? of pleit het voorkomen van trousalich in enkele liederen uit het Antw. Liedb. daartegen? heeft het werk van onze dichter, bv. via de latere Brugse rederijkerskamer, ook invloed uitgeoefend buiten de kleine kring van zijn directe plaats-en-tijd-genoten?
20‘laten wij dus bijeenblijven’.
21‘al zou ik een onstandvastige inborst hebben’.
prepostterug  begin  verder