terug  begin  verderprepost
[p. 411]

85



illustratie

 
Wi willen van den kerels zinghen!1
 
Si sijn van quader aert,
 
Si willen de ruters dwinghen,3
 
Si draghen enen langhen baert.4
5
Haer cleedren die zijn al ontnait.5
[p. 412]
 
Een hoedekijn up haer hooft ghecapt,
 
Tcaproen staet al verdrayt.6-7
 
Haer cousen ende haer scoen ghelapt.8
 
 
 
Wronglen wey, broot ende caes,9
10
Dat heit hi al den dach.
 
Daer omme es de kerel so daes:11
 
Hi hetes meer dan hijs mach.12
 
 
 
Henen groten rucghinen cant
 
Es arde wel sijn ghevouch.13-14
15
Dien neimt hi in sijn hant,
 
Als hi wil gaen ter plouch.15-16
 
Dan comt tot hem sijn wijf, de vule,17
 
Spinnende met enen rocke,
 
Een sleter omtrent haer mule,19
20
Ende gaet sijn scuetle brocken.20
 
 
 
Wronghele ende wey etc.
 
 
 
Ter kermesse wille hi gaen,
 
Hem dinct datti es een grave.
[p. 413]
 
Daer wilhijt al omme slaen
25
Met sinen verroesten stave.24-25
 
Dan gaet hi drincken van den wine,26
 
Stappans es hi versmoort.27
 
Dan es al de werelt zine,
 
Stede, lant ende poort.28-29
 
 
30
Wronghele ende wey etc.
 
 
 
Met eenen zeeuschen knive31
 
So gaet hi duer sijn tassche.32
 
Hi comt tote zinen wive,
 
Al vul brinct hi sine flassche.34
35
Dan gheift soe hem vele quader vlouke,
 
Als haer de kerel ghenaect.
 
Dan gheift hi haer een stic van den lijfcouke,37
 
Dan es de pays ghemaect.
 
 
 
Wrongle ende wey etc.
 
 
40
Dan comt de grote cornemuse
 
Ende pijpt hem turelurureleruut.40-41
[p. 414]
 
Ay, hoor van desen abuze!42
 
Dan maecsi groot gheluut,
 
Dan sprincsi alle al over hoop,43-44
45
Dan waecht haer langhe baert.45
 
Si maken groot gheloop,46
 
God gheve hem quade vaert!47
 
 
 
Wrongle ende wey etc.
 
 
 
Wi willen de kerels doen greinsen,49
50
Al dravende over tvelt.50
 
Hets al quaet dat zi peinsen,
 
Ic weetze wel bestelt:52
 
Me salze slepen ende hanghen,
 
Haer baert es alte lanc.53-54
55
Sine connens niet ontganghen,
 
Sine dochten niet sonder bedwanc.55-56
 
 
 
Wrongle ende wey etc.
Dit refreinchanson met omvangrijke strofen heeft een zeer korte melodie: αβ met reprise van α (zie facsimile). Uit de woord- en notentekst samen resulteert iets als een ‘strofenlai’ (vgl. Gennrich Grundriß 176 v.). Het eenst. lied, 70vv.
1kerels, ‘(opstandige, onbeschaafde) boeren’.
3‘zij willen de soldaten bedwingen (terwijl die juist naar de dorpen zijn gestuurd om de weerspannige boeren te bedwingen)’.
4enen langhen baert: voor de stedelingen van die tijd blijkbaar een speciaal kenmerk van onbeschaafdheid, dat hen irriteerde.
5al ontnait, ‘helemaal uit de naad’.
6-7‘doordat ze een kransje op hun hoofd hebben gezet, is hun mantelkap helemaal gedraaid komen te zitten’.
8cousen, ‘leren beenbedekking, broek’.
9wronglen, l. wrongle ende; ‘wrongel’ en ‘wei’ zijn de voorlopige producten bij de kaasmakerij, ontstaan door het stremmen van de melk; het is voor een stedeling wel bijzonder belachelijk om juist deze kost, en nog wel ‘al den dach’, dus onder het werk door, te eten.
11daes, ‘dwaas, zot’.
12‘hij eet er meer van dan hij opkan’.
13-14‘een grote homp roggebrood is precies wat hij gebruiken kan’.
15-16voor hij naar zijn werk gaat wil hij daar dus zijn ontbijt mee doen.
17de vule: spinnen is werk waar men vuil van wordt.
19‘met een lap voor haar gezicht’, nl. tegen de stoffigheid bij het spinnen; mule is een opzettelijk grof woord, want ook het beeld van de spinnende boerin moet een volslagen caricatuur worden.
20zij gaat dus, zo vuil als zij is, het ontbijt voor de boer klaarmaken door de homp roggebrood die hij haar geeft in de melk (of de wei?) te brokkelen.
24-25‘daar wil hij, (brooddronken rondzwaaiend) met zijn knots met verroeste pinnen, alles en iedereen ondersteboven slaan’.
26van den wine: wijn is een edele drank, een drank voor ‘heren’, dus ook door hiervan de drinken gedraagt de boer zich boven zijn stand, als ‘een grave’.
27‘meteen is hij dronken’ (want hij is er niet aan gewend, hij kan er niet tegen).
28-29het hoogtepunt van zijn illusie dat hij ‘een grave’ is.
31eenen zeeuschen knive, ‘een (scherp) zeemansmes’ (blijkbaar op de kermis gekocht).
32duer sijn tassche: de boer is op weg naar huis en heeft, als blijk van zijn vechtlustigheid, zijn nieuwe aanwinst door zijn buidel gestoken; waarschijnlijk tegelijk een symbolische aankondiging van de volgende erotische scène.
34‘hij heeft zich volgedronken’; misschien zit ook in ‘flassche’ nog een dubbelzinnigheid; verg. flesschelkijn bij Verdam s.v. flassce.
37verbloemende uitdrukking voor de coitus; een lijfcouc is eigenlijk een peperkoek, maar het woord leende zich uiteraard gemakkelijk voor een obscene toepassing.
40-41cornemuse, ‘doedelzak’; de dichter zal wel bedoelen dat er een rondtrekkende doedelzakspeler langskomt die de boeren met zijn deuntje van turelu rurelu ‘eruut’, d.w.z. úit hun huizen doet komen; anders heeft hem in r. 41 geen zin; het gaat in de volgende regels ook niet meer over één boer, maar over een heel boerengezelschap.
42‘hoor eens wat er dan voor vreemde dingen gebeuren’ (nl. hoe de boeren op hún manier gaan dansen).
43-44‘dan gaan ze (een liedje) brullen en hossen ze allemaal door elkaar’.
45waecht, ‘schudt heen en weer, wappert’.
46‘zij maken een drukte van belang’.
47‘God geve dat het slecht met hen afloopt’; noch gheloop noch vaert heeft hier zijn eigenlijke betekenis, maat met het laatste verwijst de dichter toch woordspelend naar het eerste (of omgekeerd: de uitdrukking groot gheloop brengt hem op quade vaert).
49doen greinsen, ‘hun mond doen vertrekken (van angst)’; dit klinkt erg wraakzuchtig, maar in feite reageert de gezeten burger Jan Moritoen hier eerder zijn eigen angst af voor de woelige boeren die de gevestigde orde dreigen te verstoren; het spotlied is een verweer.
50nl. opgejaagd door de soldaten.
52‘ik weet een goede behandeling voor ze’, nl. wanneer ze gevangen zijn genomen.
53-54‘men moet ze aan hun baard wegslepen en ophangen, dan wordt die meteen een beetje korter’.
55-56‘er is voor hen niet aan te ontkomen, uit eigen beweging wilden ze immers niet deugen’.
prepostterug  begin  verder