Dit refreinchanson met omvangrijke strofen heeft een zeer korte melodie: αβ met reprise van α (zie facsimile). Uit de woord- en notentekst samen resulteert iets als een ‘strofenlai’ (vgl. Gennrich Grundriß 176 v.). Het eenst. lied, 70vv.
9wronglen, l. wrongle ende; ‘wrongel’ en ‘wei’ zijn de voorlopige producten bij de kaasmakerij, ontstaan door het stremmen van de melk; het is voor een stedeling wel bijzonder belachelijk om juist deze kost, en nog wel ‘al den dach’, dus onder het werk door, te eten.
13-14‘een grote homp roggebrood is precies wat hij gebruiken kan’.
15-16voor hij naar zijn werk gaat wil hij daar dus zijn ontbijt mee doen.
17de vule: spinnen is werk waar men vuil van wordt.
19‘met een lap voor haar gezicht’, nl. tegen de stoffigheid bij het spinnen; mule is een opzettelijk grof woord, want ook het beeld van de spinnende boerin moet een volslagen caricatuur worden.
20zij gaat dus, zo vuil als zij is, het ontbijt voor de boer klaarmaken door de homp roggebrood die hij haar geeft in de melk (of de wei?) te brokkelen.
24-25‘daar wil hij, (brooddronken rondzwaaiend) met zijn knots met verroeste pinnen, alles en iedereen ondersteboven slaan’.
26van den wine: wijn is een edele drank, een drank voor ‘heren’, dus ook door hiervan de drinken gedraagt de boer zich boven zijn stand, als ‘een grave’.
27‘meteen is hij dronken’ (want hij is er niet aan gewend, hij kan er niet tegen).
28-29het hoogtepunt van zijn illusie dat hij ‘een grave’ is.
31eenen zeeuschen knive, ‘een (scherp) zeemansmes’ (blijkbaar op de kermis gekocht).
32duer sijn tassche: de boer is op weg naar huis en heeft, als blijk van zijn vechtlustigheid, zijn nieuwe aanwinst door zijn buidel gestoken; waarschijnlijk tegelijk een symbolische aankondiging van de volgende erotische scène.
34‘hij heeft zich volgedronken’; misschien zit ook in ‘flassche’ nog een dubbelzinnigheid; verg. flesschelkijn bij Verdam s.v. flassce.
37verbloemende uitdrukking voor de coitus; een lijfcouc is eigenlijk een peperkoek, maar het woord leende zich uiteraard gemakkelijk voor een obscene toepassing.
40-41cornemuse, ‘doedelzak’; de dichter zal wel bedoelen dat er een rondtrekkende doedelzakspeler langskomt die de boeren met zijn deuntje van turelu rurelu ‘eruut’, d.w.z. úit hun huizen doet komen; anders heeft hem in r. 41 geen zin; het gaat in de volgende regels ook niet meer over één boer, maar over een heel boerengezelschap.
42‘hoor eens wat er dan voor vreemde dingen gebeuren’ (nl. hoe de boeren op hún manier gaan dansen).
43-44‘dan gaan ze (een liedje) brullen en hossen ze allemaal door elkaar’.
47‘God geve dat het slecht met hen afloopt’; noch gheloop noch vaert heeft hier zijn eigenlijke betekenis, maat met het laatste verwijst de dichter toch woordspelend naar het eerste (of omgekeerd: de uitdrukking groot gheloop brengt hem op quade vaert).
49doen greinsen, ‘hun mond doen vertrekken (van angst)’; dit klinkt erg wraakzuchtig, maar in feite reageert de gezeten burger Jan Moritoen hier eerder zijn eigen angst af voor de woelige boeren die de gevestigde orde dreigen te verstoren; het spotlied is een verweer.