1scuerduere: het woord ontbreekt bij Verdam; waarschijnlijk moet men zich hierbij een grote ‘bergschuur’ (van een van de kloosters) voorstellen, zoals die nog tegenwoordig in het westvlaamse kustgebied te vinden zijn, d.w.z. een eenzaam in het land staand stolpgebouw zonder woonhuis; dit was wel een geschikte plaats voor een erotisch avontuur.
2wij zien de dichter volgens zijn gewoonte (verg. lied 42) 's avonds laat nog aan de wandel, dit keer een heel eind buiten de stad; het was na de vlas- en de korenoogst (verg. r. 11 en 14) en het kan dus bv. in augustus geweest zijn.
4stac, ‘stootte’. steen: waarschijnlijk het stenen voetstuk onder de deurstijl.
8-9‘zuster Lute’ en ‘broeder Lollaert’ behoorden tot de ongeordende geestelijken, die in zedelijk opzicht een slechte naam hadden; zie Verdam s.v. en Enklaar, Varende Luyden 87 vgg.
11corentas: verg. lied 71, waar de scène zich misschien ook wel in een ‘bergschuur’ afspeelt.
13den cokerduunschen zouter, ‘een boek met onechte, niet erkende of verboden psalmen of liederen’ (Verdam); alleen op deze plaats aangetroffen; dat ‘den cokerduunschen zouter lesen’ zou betekenen ‘vleselijke gemeenschap oefenen’, zoals Verdam wil, lijkt mij niet waarschijnlijk: de dichter hóórt de zuster tedere of aanmoedigende woorden tegen de de broeder zéggen, woorden die zij niet in een echt psalmboek gevonden kan hebben.
15cucule, ‘keuvel, ordegewaad’, hier: ‘man met ordegewaad aan’.
18-24uitbeelding van de coitus als een geestelijk dispuut: ‘de broeder bleef op zijn stuk staan, hij dacht dat hij goed van de zaak op de hoogte was, maar kon toch de diepste grond niet vinden en was daardoor zo van zijn stuk gebracht, dat hij zich gewonnen moest geven’.
26‘daarmee hield het (op heftige toon gevoerde) dispuut op’.
29‘toch was hij wel degelijk een kenner van de materie’.
30‘hij schudde zijn grijze ordekleed’, nl. bij het opstaan om de vlasvezels af te schudden.
31‘het werd een idyllisch tafereeltje als van Amelis en Amijs’; verg. Amijs en Amelis, Middeleeuwse vriendschapssage, naar de berijming van Jacob van Maerlant...uitg. door J.J. Mak.
34verg. Jan Praet: ‘ende goede spize ende goede dranc’ (ed. Bormans r. 2011); ‘vette spize ende goeden wijn’ (r. 2033).
37een derde acoort, ‘een derde stem (bij dit meerstemmig koorgezang)’.
40de versregel is te lang; lees: so seer waersi van mi vervaert?
47‘die het eerst als Lute is gaan leven, die de orderegel van de bagijnen heeft opgesteld’.
48‘daar ontbreekt geen enkel pleziertje aan’; luumkin is verder niet in het mnl. aangetroffen. daer: het hs. heeft D met een afkortingsteken.