terug  begin  verderprepost
[p. 422]

90 +



illustratie

 
‘Du haens mijn hertze, vrauwe mijn,
 
Dune wilse niet bewaren.
 
Een ander heift die hertze dijn,
 
Nu laet de mijn dan varen!’
5
‘Twee ic niet verwaren can.’5
 
‘Gheift mi mijn hertze weder dan:
 
Ich wilse gheven dien ics jan
 
Ende leven voort in vruechden vro!’
[p. 423]
 
‘So doe also.’
10
‘So salic jo!
 
In wil niet langher sparen!’11
 
 
 
‘Of du dijn hertze weder haes,
 
Wes muechstu di beclaghen?12-13
 
Entu mi niet onsculden laes,
15
Wes salic des verdraghen?’14-15
 
‘Nein, daer es een ander in den zin.’
 
‘Bestu daer uut, daers niemen in.
 
Merc of ic dan onsteidich bin.’18
 
‘Mijn hertze es daer ich gherne waer.’
20
‘Twine gaestu daer?’20
 
‘Dats mi onnaer,21
 
Maer als ic wil niet vraghen.’22
 
 
 
‘Sijnre hopen loon es vruechden clein
 
Die hem met twifle binden.23-24
25
Sceiden dinct mi so onrein,
 
In wils mi niet bewinden.’26
 
‘Steide en heift gheens zorghens gaer,
[p. 424]
 
Minne es selden zonder vaer.’27-28
 
‘Lief uut vercoren, wederpaer,
30
Dijn steide zin die maect mi vro!’
 
‘So doe also.’31
 
‘So salic jo!
 
Dune salt niet el bevinden!’
 
‘Du haens’ etc.
Chanson. Melodie doorgecomponeerd met enige sequenzreprises. Het éénst. lied, 73vv.
+Ook in dit dialogische lied is het niet overal even duidelijk wat de man en wat de vrouw zegt. Ik heb geprobeerd de zinnen zo te verdelen dat het gesprek een sluitend geheel wordt, maar er zijn misschien ook wel andere interpretaties mogelijk dan de hier gegevene. De man is uiteraard de dichter Jan Moritoen zelf en de vrouw moet Marie zijn. In de eerste strofe uit hij twijfel aan haar genegenheid voor hem en vraagt hij zijn hart van haar terug om het aan een ander te kunnen geven. Nadat zij eerst ‘doe dat dan maar!’ tegen hem heeft gezegd, komt zij daar in de tweede strofe met kokette maar weinigzeggende zinnetjes op terug en weet zij hem in de derde zelfs van haar ‘steide zin’ te overtuigen - omdat hij zich overtuigen laten wíl en er zo tegenop ziet om echt met haar te breken. Het lied kan heel goed de stilering zijn van een gesprek dat werkelijk heeft plaatsgevonden.
5‘ik kan geen twee harten onder mijn hoede nemen’; ontwijkend antwoord, omdat zij niet zegt welk hart zij dan wél wil ‘verwaren’.
11sparen, ‘dralen’.
12-13‘als je je hart van mij terug hebt gekregen, waarover kun je je dan nog beklagen?’
14-15‘waarom moet ik dan nog verduren, dat je het mij kwalijk blijft nemen?’ (letterlijk betekent r. 14: ‘als je mij niet onschuldig laat verklaren’).
18‘ga nu eens na, of ik dan onstandvastig ben’; zij heeft intussen niet positief gezegd dat hij ooit werkelijk bij haar ‘in den zin’ is geweest.
20‘waarom ga je daar dan niet naar toe?’; zij nodigt hem hiermee indirect uit om haar toch het hof te blijven maken.
21‘dat is al te ver weg voor mij’.
22maer: het hs. heeft een (onduidelijke) M met een afkortingsteken . als, ‘alles’.
23-24‘wie zich niet los kan maken van zijn twijfel, kan niet blijmoedig hopen’ (letterlijk: ‘ziet zijn hoop met weinig vreugde beloond’); binden in plaats van het te verwachten bindet is door het rijm bepaald.
26‘ik wil er mij niet mee bezighouden, ik wil de gedachte aan een scheiding van mij afzetten’.
27-28‘standvastigheid verlangt ernaar niet te hoeven vrezen, maar in de praktijk gaat liefde bijna altijd gepaard met vrees’; ofschoon Made ook hiermee niets positiefs zegt, vat de dichter het, blijkens zijn reactie in de volgende regels, toch op als een positieve verklaring van haar welgezindheid, haar ‘steide zin’.
31‘doe dat dan maar’, nl. ‘vro’ zijn.
prepostterug  begin  verder