Chanson. Melodie doorgecomponeerd met enige sequenzreprises. Het éénst. lied, 73vv.
+Ook in dit dialogische lied is het niet overal even duidelijk wat de man en wat de vrouw zegt. Ik heb geprobeerd de zinnen zo te verdelen dat het gesprek een sluitend geheel wordt, maar er zijn misschien ook wel andere interpretaties mogelijk dan de hier gegevene. De man is uiteraard de dichter Jan Moritoen zelf en de vrouw moet Marie zijn. In de eerste strofe uit hij twijfel aan haar genegenheid voor hem en vraagt hij zijn hart van haar terug om het aan een ander te kunnen geven. Nadat zij eerst ‘doe dat dan maar!’ tegen hem heeft gezegd, komt zij daar in de tweede strofe met kokette maar weinigzeggende zinnetjes op terug en weet zij hem in de derde zelfs van haar ‘steide zin’ te overtuigen - omdat hij zich overtuigen laten wíl en er zo tegenop ziet om echt met haar te breken. Het lied kan heel goed de stilering zijn van een gesprek dat werkelijk heeft plaatsgevonden.
5‘ik kan geen twee harten onder mijn hoede nemen’; ontwijkend antwoord, omdat zij niet zegt welk hart zij dan wél wil ‘verwaren’.
22maer: het hs. heeft een (onduidelijke) M met een afkortingsteken . als, ‘alles’.
23-24‘wie zich niet los kan maken van zijn twijfel, kan niet blijmoedig hopen’ (letterlijk: ‘ziet zijn hoop met weinig vreugde beloond’); binden in plaats van het te verwachten bindet is door het rijm bepaald.
26‘ik wil er mij niet mee bezighouden, ik wil de gedachte aan een scheiding van mij afzetten’.
27-28‘standvastigheid verlangt ernaar niet te hoeven vrezen, maar in de praktijk gaat liefde bijna altijd gepaard met vrees’; ofschoon Made ook hiermee niets positiefs zegt, vat de dichter het, blijkens zijn reactie in de volgende regels, toch op als een positieve verklaring van haar welgezindheid, haar ‘steide zin’.