Rondeel. De finaliscadens es′-d′ is conjectuur. Opvallend is in regel 9 de cadenserende finalis-longa d′ (op ‘mich’). Dit interne longateken is zeldzaam in de Gruuthuser notatie. Mogelijk is het een verschrijving voor een dubbelteken en geen absolute finalis, daar niet valt aan te nemen, dat de nog volgende notenreeks als een ‘Lied ohne Worte’ moet fungeren.
11aldus naar het hs.; het is echter ook mogelijk dat 11 en 30 ieder uit twee korte versregels bestaan en dat er dus tegenover de vier -eine-rijmen evenveel -ich-rijmen staan.
15di alleine: dit moet tot de geliefde gezegd zijn en niet tot Venus.
21so wie mijns acht, ‘wie er ook acht op mij slaat, al trekt niemand zich iets van mij aan’.
24troutliefste: een persoonlijke vorming van de dichter evenals troutzaerte; verg. lied 81, r. 3.
mijn liden zacht, ‘verzacht mijn lijden’; verg. lied 107, r. 29.
25‘laat mij, gelijk ik verdien, delen in uw gunst’ (Verdam); het ww. ghemeinen komt in deze betekenis alleen hier voor.
26‘geef mij uw troost niet in tijdelijk gebruik, te leen, maar om blijvend te bezitten’.
29stridicheit, ‘ijver, volhardend streven’; alleen op deze plaats.