Ballade. De beginnoten d′ en f′ conjectuur (vgl. 16, 17, 96). In regel 1 b′b′-e′e′ (op ‘vrauwe van’) gelezen als bes′-f′-e′; de f′om tritonus (of es′) te vermijden.
+Lied dat geschreven moet zijn tijdens de tweede verwijdering tussen Jan en Mergriete, de ‘vierde fase’ van zijn verhouding met haar.
6verharret mir, ‘blijft mij voortdurend bij’; alleen op deze plaats; ik zie geen reden om, met Verdam, verharren als een bijvorm van verharden te beschouwen (ondanks de instemming van De Vreese, TNTL 59, 261).
8‘tot ik uw liefelijk gezicht weer zal mogen aanschouwen’.
15al haddic weinsch, ‘al zou ik alles kunnen krijgen’.
22‘alles wat gij met mij (als uw slaaf) doet, zal mijn hoogste behagen zijn’.