terug  begin  verderprepost
[p. 441]

98



illustratie

 
Egidius, waer bestu bleven?
 
Mi lanct na di, gheselle mijn.
 
Du coors die doot, du liets mi tleven.3
 
Dat was gheselscap goet ende fijn,
5
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.4-5
[p. 442]
 
Nu bestu in den troon verheven6
 
Claerre dan der zonnen scijn,
 
Alle vruecht es di ghegheven.
 
 
 
Egidius, waer bestu bleven?
10
Mi lanct na di, gheselle mijn.
 
Du coors de doot, du liets mi tleven.
 
 
 
Nu bidt vor mi: ic moet noch sneven12
 
Ende in de weerelt liden pijn.
 
Verware mijn stede di beneven:14
15
Ic moet noch zinghen een liedekijn.15
 
Nochtan moet emmer ghestorven sijn.16
 
 
 
Egidius, wear bestu etc.
 
Mi lanct na di etc.
 
Du coors etc.
Rondeel. De notentekst kan, naar de binnencadensen aangeven, zonder bezwaar in 5 zinnen (perioden), overeenkomende met de refrein- (en couplet-)regels, verdeeld worden. Na de 3de zin een streep (zie facs.), waarop een clausum-cadens volgt. Zo laten zich de perioden 1, 2, 3a (3b), 4 en 5 onderscheiden. De tekstplaatsing is conform die in Mens & Melodie V (1950), 350v. Andere tekstplaatsingen zijn mogelijk, bv. met beginherhaling:
R 1 2 1 2 3a
C1 4 5 5
R 1 2 3a
C2 4 5 5 4 5
R 1 2 3b

 

Hier doen de veel voorkomende clausumcadensen (in 5 en in 2) wat eentonig aan.
3coors, ‘smaakte’.
4-5‘van wat een goed en edel gezelschap was, bleek de ene te moeten sterven’; teen kan niet ‘tegelijk’ betekenen; welk onzijdig woord de dichter in zijn geest heeft gehad om het ene lid van het ‘gheselscap’ dat moest sterven aan te duiden, is moeilijk vast te stellen; misschien moet men ook niet vertalen ‘de ene’, maar ‘één’ en staat het lidwoord erbij zoals bij de .ij. de .iij. in lied 49, r. 12.
6men zou deze regel, samen met de volgende, kunnen vertalen als: ‘nu ben jíj in de hoge hemel lichter dan zonnelicht’, maar in verband met 2de gedicht, r. 1898/9; ‘naer dit leven sonder sneven / Haer ziele met hem moet sijn verheven’, lijkt mij de vertaling: ‘nu ben jij in de hemel opgenomen’ toch waarschijnlijker.
12sneven, ‘ongelukkig zijn’.
14‘behoed mijn plaats die ik heb aan jouw zijde (in de genegenheid van Mergriete)’; er is in de mnl. literatuur geen enkele plaats aan te wijzen waar enes stede bewaren moet betekenen ‘iemands plaats openhouden’ (verg. Verdam 9, 286).
15‘ik moet (voor Mergriete) nog een liedje zingen’.
16‘toch moet ook ik zéker sterven (net als jij, al weet ik niet wanneer)’; verg. Jan Praet: ‘Bi dezen .iij. zo soude elc weten / dat hi emmer sterven moet; / maer in wat wilen hi wort verbeten, / dies mach hi niet ghewerden vroet’ (ed. Bormans r. 731/4).
prepostterug  begin  verder