Chanson. 3 coupletten, afgewisseld door een refreinachtig couplet. De beginnoten d″e″c″b (vgl. 37) zijn conjectuur; ook kan gedacht worden aan d′e′f′f′(vgl. 106)
1-3opwekking tot nieuwe vrolijkheid na de dood van Egidius.
4-7de roos en de wijngaardrank zijn beide beelden van Maria; de dichter heeft ze hier opzettelijk verbonden, omdat zijn Marialied tegelijk een drinklied moest worden; de toespeling op de .xij. coren van coninghen is mij niet duidelijk; volgens de legende is Maria een afstammeling van David en misschien bedoelt de dichter uit te drukken dat haar geboorte de centrale gebeurtenis in het davidische koningsgeslacht is geweest en dat er, toen zij geboren werd, twaalf kringen (generaties?) van koninklijke verwanten beschermend of aanbiddend om haar moeder Anna heen hebben gestaan; zit er in dat, blijkbaar enkel symbolische, getal 12 misschien nog een toespeling op de 12 leden van de vriendenkring, die Maria ook als de centrale figuur van hun verering hadden? sluiten de 12 vrienden zich in hun Mariahulde aan bij de .xij. coren van coninghen?
9-10verg. Maerlant, Claus. 521/2: ‘ghebenedijt van allen monden / sidi’.
15rozengaert: hier wel op te vatten als ‘stam, tronk van de rozenboom’; verg. Jesaja 11:1.
20‘als deze roos er niet te onzen behoeve zou zijn, als zij niet voor ons zou zorgen’, verg. Maerlant, Claus. 416: ‘en ware si, het ware al verloren’.
24wijn rijnscaert, ‘rijnse wijn’; geen andere plaatsen bij Verdam; het woord rijnscaert is dus misschien wel voor deze gelegenheid door de dichter gevormd.
25sonder toren, ‘zonder droefheid’, nl. ter ere van Maria die ons over onze droefheid heenhelpt.
28-29‘en laten zij die het ons (door hun aanmerkingen) willen beletten, gaan naar de plaats waar zij thuishoren’; de ‘niders’, die kritiek hebben op al wat hoog en hoofs is, begrijpen natuurlijk ook niets van dit vrome drinkritueel.