terug  begin  verderprepost
[p. 443]

99



illustratie

 
Wel up, elc sin die vruecht begaert,
 
Om vruechden wille trueren spaert!
 
Wilt vroylic hier naer horen:1-3
 
Een roze es ons gheopenbaert
5
An eenen edelen wingaert,
[p. 444]
 
In midden .xij. coren
 
Van coninghen gheboren.4-7
 
 
 
O roze die in den hemel zijt,
 
Ghebenedijt
10
Sidi van allen monden!9-10
 
Al sijn wi vro, cort es de tijt,
 
Een overlijt.12
 
Crijcht ons ten lesten stonden13
 
Aflaet van allen zonden!
 
 
15
Jesse so heet desen rozengaert,15
 
Daer dese edele bloume tzaert
 
In bloyet sonder doren.
 
Den donckeren nacht heift zoe verclaert
 
Ende elcken zondare zoe bewaert.
20
Ne ware dese roze te voren,20
 
Waren wi alle verloren.
 
 
 
O roze die in den hemel zijt etc.
 
 
 
Nu loven wi haer uut milder aert
 
Ende desen edelen wijn rijnscaert24
25
Drincken wi sonder toren:25
 
Van der roze wert hi ghespaert
 
Die vroilic hier sijn ghelt vertaert!
[p. 445]
 
Ende die ons willen storen,
 
Gaen daer zi behoren!28-29
 
 
30
O roze die in den hemel zijt etc.
Chanson. 3 coupletten, afgewisseld door een refreinachtig couplet. De beginnoten d″e″c″b (vgl. 37) zijn conjectuur; ook kan gedacht worden aan d′e′f′f′(vgl. 106)
1-3opwekking tot nieuwe vrolijkheid na de dood van Egidius.
4-7de roos en de wijngaardrank zijn beide beelden van Maria; de dichter heeft ze hier opzettelijk verbonden, omdat zijn Marialied tegelijk een drinklied moest worden; de toespeling op de .xij. coren van coninghen is mij niet duidelijk; volgens de legende is Maria een afstammeling van David en misschien bedoelt de dichter uit te drukken dat haar geboorte de centrale gebeurtenis in het davidische koningsgeslacht is geweest en dat er, toen zij geboren werd, twaalf kringen (generaties?) van koninklijke verwanten beschermend of aanbiddend om haar moeder Anna heen hebben gestaan; zit er in dat, blijkbaar enkel symbolische, getal 12 misschien nog een toespeling op de 12 leden van de vriendenkring, die Maria ook als de centrale figuur van hun verering hadden? sluiten de 12 vrienden zich in hun Mariahulde aan bij de .xij. coren van coninghen?
9-10verg. Maerlant, Claus. 521/2: ‘ghebenedijt van allen monden / sidi’.
12overlijt, ‘iets dat voorbijgaat’.
13crijcht ons, ‘verkrijg voor ons’.
15rozengaert: hier wel op te vatten als ‘stam, tronk van de rozenboom’; verg. Jesaja 11:1.
20‘als deze roos er niet te onzen behoeve zou zijn, als zij niet voor ons zou zorgen’, verg. Maerlant, Claus. 416: ‘en ware si, het ware al verloren’.
24wijn rijnscaert, ‘rijnse wijn’; geen andere plaatsen bij Verdam; het woord rijnscaert is dus misschien wel voor deze gelegenheid door de dichter gevormd.
25sonder toren, ‘zonder droefheid’, nl. ter ere van Maria die ons over onze droefheid heenhelpt.
28-29‘en laten zij die het ons (door hun aanmerkingen) willen beletten, gaan naar de plaats waar zij thuishoren’; de ‘niders’, die kritiek hebben op al wat hoog en hoofs is, begrijpen natuurlijk ook niets van dit vrome drinkritueel.
prepostterug  begin  verder